Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

kernachtige samenvatting blok 2.1

Rating
-
Sold
1
Pages
16
Uploaded on
04-09-2018
Written in
2017/2018

Samenvatting van blok 2.1 - biologische determinanten van leren en ontwikkeling. Het is een samenvatting van alleen de kernpunten, dus beknopt en daardoor makkelijk te leren.

Institution
Course

Content preview

Probleem 1 – Naturally selected!
Wat is de theorie van Charles Darwin?
 Evolutie: overerfbare, geleidelijke veranderingen door de tijd. Zonder overerving is er geen
evolutie mogelijk, want er moeten vruchtbare nakomelingen kunnen worden gemaakt.
o 3 producten evolutie: adaptatie, bijproducten, ruis
o 3 bewijzen evolutietheorie (Darwin): verschillende fossiele lagen bekijken,
structurele overeenkomsten beschrijven(homologie/analogie), directe observaties van
de snelle evolutie (selectief fokken)
 Natuurlijke selectie: organismen met gunstige eigenschappen overleven langer dus krijgen
meer nakomelingen
o 3 aspecten: variatie, overerving, selectie
 Seksuele selectie: aanpassingen die voortkomen uit succesvolle paring
o 2 vormen: intraseksuele competitie, interseksuele selectie
 Survival of the fittest: de best aangepaste organismen overleven langer en planten meer voort
 Fitness: mogelijkheid om te overleven en genen door te geven aan de volgende generatie.
Uiteindelijk blijft wordt het nageslacht steeds fitter.
 Genetic drift: willekeurige verandering in de genen van een populatie
o 3 oorzaken: mutatie (willekeurige DNA-verandering), Founder effect (kleine groep
settelt op andere plaats en vormt andere soort), Genetic bottlenecks (populatie
plotseling sterk verkleind)

Mendel: overerving is geen mengeling van eigenschappen van de ouders, maar de genen van vader
en moeder worden doorgegeven, dus geen ervaringen. Bij de doorgegeven chromosomenparen zijn
twee opties: homozygoot (aa/AA) of heterozygoot(aA/Aa).

Lamarckian evolution: het wel of niet intensief gebruiken van een lichaamsdeel, zal in de volgende
generatie terug te zien zijn in de genen.

Wat is de theorie van goed genoeg ouderschap? (Winnicot)
Good enough parenting: geen ‘perfect’ opvoeden, maar ‘goed genoeg’, waarbij er steeds minder
aanpassing aan het kind is. Zo leert het kind zelfstandig te worden en dat is goed voor de evolutie.

Componenten:
1. Liefde, zorg en verbondenheid (anders zijn er hechtingsproblemen)
2. Consistente beperkingen (grenzen, als voorbereiding op de volwassen wereld)
3. Faciliteit om te ontwikkelen (ouders helpen bij fysieke/intellectuele/morele ontwikkeling.
Belangrijk daarbij zijn veilige omgeving en stimulatie)

Wat zijn de vier why’s van gedrag? (Tinbergen)
1. Mechanisme: Wat is de oorzaak van gedrag?
2. Functie: Hoe beïnvloedt het gedrag de kans op overleving/reproductie?
3. Ontwikkeling: Hoe verandert het gedrag gedurende het volwassen worden van een dier?
4. Evolutie: Hoe verandert gedrag als functie van de evolutionaire geschiedenis?

Eerste twee: proximate (directe vorming van gedrag)
Laatste twee: ultimate (vorming door evolutie)




1

,Probleem 2 – This neuron has potential!
Vul de cijfer in het vignet in en geef uitleg.
- Neuron: ontvangt informatie en vervoert dit naar andere
cellen(neuronen)
o Dendrieten: nummer 5
o Axon: lange uitloper, kan efferent (hersenenlichaam,
motorisch) of afferent (lichaamhersenen, sensorisch) zijn
Soorten neuronen:
o Unipolair: 1 axon
o Bipolair: 1 axon, 1 dendriet
o Multipolair: 1 axon, meerdere dendrieten
- Synaps: het overgeven van een signaal tussen neuronen.

Hoe geven neurotransmitters signalen door in de hersenen?
- Het actiepotentiaal:
1. Rustfase met een rustpotentiaal van -70mV, dat is de elektrische gradiënt.
2. Er komt een stimulatie, waardoor de threshold of excitation (-50mV) wordt
bereikt.
3. Alle natrium-poortjes gaan open en natrium stroomt de cel indepolarisatie
4. Op een bepaald moment is er omgekeerde polarisatie: de binnenkant van de cel is
positiever dan de buitenkant. Als de max van de actiepotentiaal (+35mV) bereikt is, gaan
de kalium-poortjes open en stroomt kalium de cel uitrepolarisatie. Hierbij werken
zowel de concentratiegradiënt als de elektrische gradiënt mee. Zo wordt de
membraanpotentiaal teruggebracht naar de rustpotentiaal van -70mV.
5. De rustpotentiaal wordt weer bereikt, maar de kalium-poortjes sluiten langzaam, dus extra
kalium stroomt de cel uit en de cel wordt extra negatiefhyperpolarisatie
6. De Natrium-Kaliumpomp pompt 3 natrium-ionen de cel uit en 2
kalium-ionen de cel in, zodat de oorspronkelijke situatie weer wordt
bereikt.
Tijdens de refractaire periode is de neuron ongevoelig voor prikkels, er kan
geen actiepotentiaal ontstaan.

Als er in de synaps genoeg natrium-ionen komen, gaan de calcium-poorten open.
Door calcium versmelten neurotransmitterblaasjes met het membraan en komt
het vrij in de synaptische spleet. Het bindt op de natriumpoorten en
kaliumpoorten op het postsynaptische membraan, die daardoor open gaan (welke openen is
afhankelijk van de neurotransmitter). Natrium kan de cel in, Kalium kan de cel uit. Is er genoeg
natrium in de cel, dan wordt de threshold of excitation bereikt en is de actiepotentiaal doorgegeven.

Neurotransmitters geven signalen door aan de volgende neuron:
- Exhiberende neurotransmitter: stimuleren actiepotentiaal in de volgende neuron
 Leidt tot depolarisatieEPSP (membraan +)
 Als er natrium in de cel komt
- Inhiberende neurotransmitter: remmen actiepotentiaal in de volgende neuron
 Leidt tot hyperpolarisatieIPSP (membraan –)
 Als er kalium uit de cel komt

Spatiale sommatie: meerdere synapsen krijgen een signaal van een neuron, dus die kan je optellen
Temporale sommatie: 2 of meer signalen worden via 1 neuron snel achter elkaar afgegeven

Ionotropische receptoren: direct open bij het binden van neurotransmitter
Metabotropische receptoren: indirect open, via G-eiwit (second messenger)

Agonist: versterkt de effecten van neurotransmitter (+)
Antagonist: remt de effecten van neurotransmitter (–)
2

,Probleem 3 – Is it that simple?!
Wat zit waar in de hersenen? + Wat zijn de functies?
- ZenuwstelselPerifere ZS + Centrale ZS  Somatisch ZS + Autonoom ZS SZS + PZS
- Hersenen doorsnijden: transversaal: voor en achter OF sagittaal: links en rechts OF
horizontaal; boven en onder

De hersenen bestaan uit:
1. Voorhersenen: prosencephalon
a. Telencephalon
 Cerebrale cortexgrote hersenen, sensorische informatie ontvangen en verwerken +
spieren aansturen en beslissingen maken
 Temporaalkwab = auditief, taal, spraak, geheugen, herkenning
 Occitipaalkwab = visueel
 Pariëtaalkwab = somato-sensorisch (+verwerken van zintuiglijke
waarneming)
 Frontaalkwab = emoties, gedrag, executieve functies, fijne motoriek
 Limbisch systeemmotivatie, aandacht, seksueel gedrag, geheugen, emoties
 Hippocampus  slaat nieuwe herinneringen etc. op + doorsturen
informatie naar lange termijn en kunnen terughalen
 Amygdala  primaire emoties reguleren + welke herinnering waar opslaan
+ emotie met stresssituatie koppelen
 Olfacultatory bulbreukcentrum
 Basale gangliacognitieve functies; taal, leren, onthouden, motoriek +
verplaatsen van informatie naar andere hersendelen + vrijwillige bewegingen
van de ledematen
b. Diencephalon
 Thalamusschakelt impulsen door naar de grote hersenen + zorgt dat info op
de juiste plek terechtkomt in de hersenschors (postkantoor)
 Hypothalamusbasisemoties aansturen + onbewuste autonome reacties
reguleren + hypofyse aansturen + vegetatieve functies reguleren (bv. dorst)
 Hypofysegeeft hormonen af
2. Middenhersenen
a. Mesencephalon: integratie van informatie
 Tectumdak, reguleert gehoor
 Superieure colliculuszintuiglijke verwerking zicht
 Inferieure colliculuszintuiglijke verwerking gehoor
 Tegmentumvloerkleed, bedekt andere middenbreinstructuren + reguleert
oogbewegingen
3. Achterhersenen: rhombencephalon
a. Metencephalon
 Cerebellumkleine hersenen, snelle beweging (coördinatie, evenwicht, timing,
aandacht) + uitwisselen/schakelen auditief en visueel
 Ponsverbindt grote en kleine hersenen + hier kruisen axonen
b. Myelencephalon
 Medullaverlengde ruggenmerg, beheerst vitale reflexen (bv. ademen) +
stuurt opdrachten naar het lichaam

De hersenvliezen:
1. Dura mater: hard, taai
2. Arachnoid membraan: webstructuur, sponsig  voedingsstoffen
3. Pia mater: zacht

De ruggenmerg communiceert met alle organen en spieren in het lichaam, behalve die in het hoofd.

2 soorten stof:

3

, - Grijze stof: verwerking van informatie (cellichamen + dendrieten + ongemyeliniseerde axonen)
- Witte stof: communicatie (gemyeliniseerde axonen)




4

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
September 4, 2018
Number of pages
16
Written in
2017/2018
Type
SUMMARY

Subjects

$5.45
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
esmeecoppoolse Erasmus Universiteit Rotterdam
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
162
Member since
9 year
Number of followers
111
Documents
94
Last sold
1 year ago

3.6

31 reviews

5
8
4
9
3
10
2
1
1
3

Trending documents

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions