Probleem 1 – Naturally selected!
Wat is de theorie van Charles Darwin?
Evolutie: overerfbare, geleidelijke veranderingen door de tijd. Zonder overerving is er geen
evolutie mogelijk, want er moeten vruchtbare nakomelingen kunnen worden gemaakt.
o 3 producten evolutie: adaptatie, bijproducten, ruis
o 3 bewijzen evolutietheorie (Darwin): verschillende fossiele lagen bekijken,
structurele overeenkomsten beschrijven(homologie/analogie), directe observaties van
de snelle evolutie (selectief fokken)
Natuurlijke selectie: organismen met gunstige eigenschappen overleven langer dus krijgen
meer nakomelingen
o 3 aspecten: variatie, overerving, selectie
Seksuele selectie: aanpassingen die voortkomen uit succesvolle paring
o 2 vormen: intraseksuele competitie, interseksuele selectie
Survival of the fittest: de best aangepaste organismen overleven langer en planten meer voort
Fitness: mogelijkheid om te overleven en genen door te geven aan de volgende generatie.
Uiteindelijk blijft wordt het nageslacht steeds fitter.
Genetic drift: willekeurige verandering in de genen van een populatie
o 3 oorzaken: mutatie (willekeurige DNA-verandering), Founder effect (kleine groep
settelt op andere plaats en vormt andere soort), Genetic bottlenecks (populatie
plotseling sterk verkleind)
Mendel: overerving is geen mengeling van eigenschappen van de ouders, maar de genen van vader
en moeder worden doorgegeven, dus geen ervaringen. Bij de doorgegeven chromosomenparen zijn
twee opties: homozygoot (aa/AA) of heterozygoot(aA/Aa).
Lamarckian evolution: het wel of niet intensief gebruiken van een lichaamsdeel, zal in de volgende
generatie terug te zien zijn in de genen.
Wat is de theorie van goed genoeg ouderschap? (Winnicot)
Good enough parenting: geen ‘perfect’ opvoeden, maar ‘goed genoeg’, waarbij er steeds minder
aanpassing aan het kind is. Zo leert het kind zelfstandig te worden en dat is goed voor de evolutie.
Componenten:
1. Liefde, zorg en verbondenheid (anders zijn er hechtingsproblemen)
2. Consistente beperkingen (grenzen, als voorbereiding op de volwassen wereld)
3. Faciliteit om te ontwikkelen (ouders helpen bij fysieke/intellectuele/morele ontwikkeling.
Belangrijk daarbij zijn veilige omgeving en stimulatie)
Wat zijn de vier why’s van gedrag? (Tinbergen)
1. Mechanisme: Wat is de oorzaak van gedrag?
2. Functie: Hoe beïnvloedt het gedrag de kans op overleving/reproductie?
3. Ontwikkeling: Hoe verandert het gedrag gedurende het volwassen worden van een dier?
4. Evolutie: Hoe verandert gedrag als functie van de evolutionaire geschiedenis?
Eerste twee: proximate (directe vorming van gedrag)
Laatste twee: ultimate (vorming door evolutie)
1
,Probleem 2 – This neuron has potential!
Vul de cijfer in het vignet in en geef uitleg.
- Neuron: ontvangt informatie en vervoert dit naar andere
cellen(neuronen)
o Dendrieten: nummer 5
o Axon: lange uitloper, kan efferent (hersenenlichaam,
motorisch) of afferent (lichaamhersenen, sensorisch) zijn
Soorten neuronen:
o Unipolair: 1 axon
o Bipolair: 1 axon, 1 dendriet
o Multipolair: 1 axon, meerdere dendrieten
- Synaps: het overgeven van een signaal tussen neuronen.
Hoe geven neurotransmitters signalen door in de hersenen?
- Het actiepotentiaal:
1. Rustfase met een rustpotentiaal van -70mV, dat is de elektrische gradiënt.
2. Er komt een stimulatie, waardoor de threshold of excitation (-50mV) wordt
bereikt.
3. Alle natrium-poortjes gaan open en natrium stroomt de cel indepolarisatie
4. Op een bepaald moment is er omgekeerde polarisatie: de binnenkant van de cel is
positiever dan de buitenkant. Als de max van de actiepotentiaal (+35mV) bereikt is, gaan
de kalium-poortjes open en stroomt kalium de cel uitrepolarisatie. Hierbij werken
zowel de concentratiegradiënt als de elektrische gradiënt mee. Zo wordt de
membraanpotentiaal teruggebracht naar de rustpotentiaal van -70mV.
5. De rustpotentiaal wordt weer bereikt, maar de kalium-poortjes sluiten langzaam, dus extra
kalium stroomt de cel uit en de cel wordt extra negatiefhyperpolarisatie
6. De Natrium-Kaliumpomp pompt 3 natrium-ionen de cel uit en 2
kalium-ionen de cel in, zodat de oorspronkelijke situatie weer wordt
bereikt.
Tijdens de refractaire periode is de neuron ongevoelig voor prikkels, er kan
geen actiepotentiaal ontstaan.
Als er in de synaps genoeg natrium-ionen komen, gaan de calcium-poorten open.
Door calcium versmelten neurotransmitterblaasjes met het membraan en komt
het vrij in de synaptische spleet. Het bindt op de natriumpoorten en
kaliumpoorten op het postsynaptische membraan, die daardoor open gaan (welke openen is
afhankelijk van de neurotransmitter). Natrium kan de cel in, Kalium kan de cel uit. Is er genoeg
natrium in de cel, dan wordt de threshold of excitation bereikt en is de actiepotentiaal doorgegeven.
Neurotransmitters geven signalen door aan de volgende neuron:
- Exhiberende neurotransmitter: stimuleren actiepotentiaal in de volgende neuron
Leidt tot depolarisatieEPSP (membraan +)
Als er natrium in de cel komt
- Inhiberende neurotransmitter: remmen actiepotentiaal in de volgende neuron
Leidt tot hyperpolarisatieIPSP (membraan –)
Als er kalium uit de cel komt
Spatiale sommatie: meerdere synapsen krijgen een signaal van een neuron, dus die kan je optellen
Temporale sommatie: 2 of meer signalen worden via 1 neuron snel achter elkaar afgegeven
Ionotropische receptoren: direct open bij het binden van neurotransmitter
Metabotropische receptoren: indirect open, via G-eiwit (second messenger)
Agonist: versterkt de effecten van neurotransmitter (+)
Antagonist: remt de effecten van neurotransmitter (–)
2
,Probleem 3 – Is it that simple?!
Wat zit waar in de hersenen? + Wat zijn de functies?
- ZenuwstelselPerifere ZS + Centrale ZS Somatisch ZS + Autonoom ZS SZS + PZS
- Hersenen doorsnijden: transversaal: voor en achter OF sagittaal: links en rechts OF
horizontaal; boven en onder
De hersenen bestaan uit:
1. Voorhersenen: prosencephalon
a. Telencephalon
Cerebrale cortexgrote hersenen, sensorische informatie ontvangen en verwerken +
spieren aansturen en beslissingen maken
Temporaalkwab = auditief, taal, spraak, geheugen, herkenning
Occitipaalkwab = visueel
Pariëtaalkwab = somato-sensorisch (+verwerken van zintuiglijke
waarneming)
Frontaalkwab = emoties, gedrag, executieve functies, fijne motoriek
Limbisch systeemmotivatie, aandacht, seksueel gedrag, geheugen, emoties
Hippocampus slaat nieuwe herinneringen etc. op + doorsturen
informatie naar lange termijn en kunnen terughalen
Amygdala primaire emoties reguleren + welke herinnering waar opslaan
+ emotie met stresssituatie koppelen
Olfacultatory bulbreukcentrum
Basale gangliacognitieve functies; taal, leren, onthouden, motoriek +
verplaatsen van informatie naar andere hersendelen + vrijwillige bewegingen
van de ledematen
b. Diencephalon
Thalamusschakelt impulsen door naar de grote hersenen + zorgt dat info op
de juiste plek terechtkomt in de hersenschors (postkantoor)
Hypothalamusbasisemoties aansturen + onbewuste autonome reacties
reguleren + hypofyse aansturen + vegetatieve functies reguleren (bv. dorst)
Hypofysegeeft hormonen af
2. Middenhersenen
a. Mesencephalon: integratie van informatie
Tectumdak, reguleert gehoor
Superieure colliculuszintuiglijke verwerking zicht
Inferieure colliculuszintuiglijke verwerking gehoor
Tegmentumvloerkleed, bedekt andere middenbreinstructuren + reguleert
oogbewegingen
3. Achterhersenen: rhombencephalon
a. Metencephalon
Cerebellumkleine hersenen, snelle beweging (coördinatie, evenwicht, timing,
aandacht) + uitwisselen/schakelen auditief en visueel
Ponsverbindt grote en kleine hersenen + hier kruisen axonen
b. Myelencephalon
Medullaverlengde ruggenmerg, beheerst vitale reflexen (bv. ademen) +
stuurt opdrachten naar het lichaam
De hersenvliezen:
1. Dura mater: hard, taai
2. Arachnoid membraan: webstructuur, sponsig voedingsstoffen
3. Pia mater: zacht
De ruggenmerg communiceert met alle organen en spieren in het lichaam, behalve die in het hoofd.
2 soorten stof:
3
, - Grijze stof: verwerking van informatie (cellichamen + dendrieten + ongemyeliniseerde axonen)
- Witte stof: communicatie (gemyeliniseerde axonen)
4
Wat is de theorie van Charles Darwin?
Evolutie: overerfbare, geleidelijke veranderingen door de tijd. Zonder overerving is er geen
evolutie mogelijk, want er moeten vruchtbare nakomelingen kunnen worden gemaakt.
o 3 producten evolutie: adaptatie, bijproducten, ruis
o 3 bewijzen evolutietheorie (Darwin): verschillende fossiele lagen bekijken,
structurele overeenkomsten beschrijven(homologie/analogie), directe observaties van
de snelle evolutie (selectief fokken)
Natuurlijke selectie: organismen met gunstige eigenschappen overleven langer dus krijgen
meer nakomelingen
o 3 aspecten: variatie, overerving, selectie
Seksuele selectie: aanpassingen die voortkomen uit succesvolle paring
o 2 vormen: intraseksuele competitie, interseksuele selectie
Survival of the fittest: de best aangepaste organismen overleven langer en planten meer voort
Fitness: mogelijkheid om te overleven en genen door te geven aan de volgende generatie.
Uiteindelijk blijft wordt het nageslacht steeds fitter.
Genetic drift: willekeurige verandering in de genen van een populatie
o 3 oorzaken: mutatie (willekeurige DNA-verandering), Founder effect (kleine groep
settelt op andere plaats en vormt andere soort), Genetic bottlenecks (populatie
plotseling sterk verkleind)
Mendel: overerving is geen mengeling van eigenschappen van de ouders, maar de genen van vader
en moeder worden doorgegeven, dus geen ervaringen. Bij de doorgegeven chromosomenparen zijn
twee opties: homozygoot (aa/AA) of heterozygoot(aA/Aa).
Lamarckian evolution: het wel of niet intensief gebruiken van een lichaamsdeel, zal in de volgende
generatie terug te zien zijn in de genen.
Wat is de theorie van goed genoeg ouderschap? (Winnicot)
Good enough parenting: geen ‘perfect’ opvoeden, maar ‘goed genoeg’, waarbij er steeds minder
aanpassing aan het kind is. Zo leert het kind zelfstandig te worden en dat is goed voor de evolutie.
Componenten:
1. Liefde, zorg en verbondenheid (anders zijn er hechtingsproblemen)
2. Consistente beperkingen (grenzen, als voorbereiding op de volwassen wereld)
3. Faciliteit om te ontwikkelen (ouders helpen bij fysieke/intellectuele/morele ontwikkeling.
Belangrijk daarbij zijn veilige omgeving en stimulatie)
Wat zijn de vier why’s van gedrag? (Tinbergen)
1. Mechanisme: Wat is de oorzaak van gedrag?
2. Functie: Hoe beïnvloedt het gedrag de kans op overleving/reproductie?
3. Ontwikkeling: Hoe verandert het gedrag gedurende het volwassen worden van een dier?
4. Evolutie: Hoe verandert gedrag als functie van de evolutionaire geschiedenis?
Eerste twee: proximate (directe vorming van gedrag)
Laatste twee: ultimate (vorming door evolutie)
1
,Probleem 2 – This neuron has potential!
Vul de cijfer in het vignet in en geef uitleg.
- Neuron: ontvangt informatie en vervoert dit naar andere
cellen(neuronen)
o Dendrieten: nummer 5
o Axon: lange uitloper, kan efferent (hersenenlichaam,
motorisch) of afferent (lichaamhersenen, sensorisch) zijn
Soorten neuronen:
o Unipolair: 1 axon
o Bipolair: 1 axon, 1 dendriet
o Multipolair: 1 axon, meerdere dendrieten
- Synaps: het overgeven van een signaal tussen neuronen.
Hoe geven neurotransmitters signalen door in de hersenen?
- Het actiepotentiaal:
1. Rustfase met een rustpotentiaal van -70mV, dat is de elektrische gradiënt.
2. Er komt een stimulatie, waardoor de threshold of excitation (-50mV) wordt
bereikt.
3. Alle natrium-poortjes gaan open en natrium stroomt de cel indepolarisatie
4. Op een bepaald moment is er omgekeerde polarisatie: de binnenkant van de cel is
positiever dan de buitenkant. Als de max van de actiepotentiaal (+35mV) bereikt is, gaan
de kalium-poortjes open en stroomt kalium de cel uitrepolarisatie. Hierbij werken
zowel de concentratiegradiënt als de elektrische gradiënt mee. Zo wordt de
membraanpotentiaal teruggebracht naar de rustpotentiaal van -70mV.
5. De rustpotentiaal wordt weer bereikt, maar de kalium-poortjes sluiten langzaam, dus extra
kalium stroomt de cel uit en de cel wordt extra negatiefhyperpolarisatie
6. De Natrium-Kaliumpomp pompt 3 natrium-ionen de cel uit en 2
kalium-ionen de cel in, zodat de oorspronkelijke situatie weer wordt
bereikt.
Tijdens de refractaire periode is de neuron ongevoelig voor prikkels, er kan
geen actiepotentiaal ontstaan.
Als er in de synaps genoeg natrium-ionen komen, gaan de calcium-poorten open.
Door calcium versmelten neurotransmitterblaasjes met het membraan en komt
het vrij in de synaptische spleet. Het bindt op de natriumpoorten en
kaliumpoorten op het postsynaptische membraan, die daardoor open gaan (welke openen is
afhankelijk van de neurotransmitter). Natrium kan de cel in, Kalium kan de cel uit. Is er genoeg
natrium in de cel, dan wordt de threshold of excitation bereikt en is de actiepotentiaal doorgegeven.
Neurotransmitters geven signalen door aan de volgende neuron:
- Exhiberende neurotransmitter: stimuleren actiepotentiaal in de volgende neuron
Leidt tot depolarisatieEPSP (membraan +)
Als er natrium in de cel komt
- Inhiberende neurotransmitter: remmen actiepotentiaal in de volgende neuron
Leidt tot hyperpolarisatieIPSP (membraan –)
Als er kalium uit de cel komt
Spatiale sommatie: meerdere synapsen krijgen een signaal van een neuron, dus die kan je optellen
Temporale sommatie: 2 of meer signalen worden via 1 neuron snel achter elkaar afgegeven
Ionotropische receptoren: direct open bij het binden van neurotransmitter
Metabotropische receptoren: indirect open, via G-eiwit (second messenger)
Agonist: versterkt de effecten van neurotransmitter (+)
Antagonist: remt de effecten van neurotransmitter (–)
2
,Probleem 3 – Is it that simple?!
Wat zit waar in de hersenen? + Wat zijn de functies?
- ZenuwstelselPerifere ZS + Centrale ZS Somatisch ZS + Autonoom ZS SZS + PZS
- Hersenen doorsnijden: transversaal: voor en achter OF sagittaal: links en rechts OF
horizontaal; boven en onder
De hersenen bestaan uit:
1. Voorhersenen: prosencephalon
a. Telencephalon
Cerebrale cortexgrote hersenen, sensorische informatie ontvangen en verwerken +
spieren aansturen en beslissingen maken
Temporaalkwab = auditief, taal, spraak, geheugen, herkenning
Occitipaalkwab = visueel
Pariëtaalkwab = somato-sensorisch (+verwerken van zintuiglijke
waarneming)
Frontaalkwab = emoties, gedrag, executieve functies, fijne motoriek
Limbisch systeemmotivatie, aandacht, seksueel gedrag, geheugen, emoties
Hippocampus slaat nieuwe herinneringen etc. op + doorsturen
informatie naar lange termijn en kunnen terughalen
Amygdala primaire emoties reguleren + welke herinnering waar opslaan
+ emotie met stresssituatie koppelen
Olfacultatory bulbreukcentrum
Basale gangliacognitieve functies; taal, leren, onthouden, motoriek +
verplaatsen van informatie naar andere hersendelen + vrijwillige bewegingen
van de ledematen
b. Diencephalon
Thalamusschakelt impulsen door naar de grote hersenen + zorgt dat info op
de juiste plek terechtkomt in de hersenschors (postkantoor)
Hypothalamusbasisemoties aansturen + onbewuste autonome reacties
reguleren + hypofyse aansturen + vegetatieve functies reguleren (bv. dorst)
Hypofysegeeft hormonen af
2. Middenhersenen
a. Mesencephalon: integratie van informatie
Tectumdak, reguleert gehoor
Superieure colliculuszintuiglijke verwerking zicht
Inferieure colliculuszintuiglijke verwerking gehoor
Tegmentumvloerkleed, bedekt andere middenbreinstructuren + reguleert
oogbewegingen
3. Achterhersenen: rhombencephalon
a. Metencephalon
Cerebellumkleine hersenen, snelle beweging (coördinatie, evenwicht, timing,
aandacht) + uitwisselen/schakelen auditief en visueel
Ponsverbindt grote en kleine hersenen + hier kruisen axonen
b. Myelencephalon
Medullaverlengde ruggenmerg, beheerst vitale reflexen (bv. ademen) +
stuurt opdrachten naar het lichaam
De hersenvliezen:
1. Dura mater: hard, taai
2. Arachnoid membraan: webstructuur, sponsig voedingsstoffen
3. Pia mater: zacht
De ruggenmerg communiceert met alle organen en spieren in het lichaam, behalve die in het hoofd.
2 soorten stof:
3
, - Grijze stof: verwerking van informatie (cellichamen + dendrieten + ongemyeliniseerde axonen)
- Witte stof: communicatie (gemyeliniseerde axonen)
4