3. Aandoeningen van het uitwendige oor
3.1. Aandoeningen van de oorschelp – p.68
3.1.1. Congenitale afwijkingen
BOR-syndroom: Branchio-Oto-Renaal syndroom. Aandoening bij nek, oren en de
nieren. Oorzaak: meestal afwijking gen, van de chromosomen.
Horen minder goed, kuiltjes in huid oor, huidflapjes. Slakkenhuis niet goed ontwikkeld.
Blaasjes (cystes) in hals. Fistels = onnatuurlijk kanaaltje tussen lichaamsholte en huid.
3.1.2.Traumata
Bloemkooloor: (schrompeloor of bokseroor) beschadiging van kraakbeen => bolle
uiterlijk zoals bloemkool. Bloedingen in kraakbeen => kraakbeenbloedingen opgeruimd
door lichaam => verdwijnt kraakbeen => oor verschrompelt.
3.1.3. Ontstekingen
Vesikel: organel van cel. Klein blaasje dat stoffen bevat en omgeven door membraan.
Functie = opslaan of transporteren van bepaalde stoffen in de cel.
3.1.4. Tumoren
Benigne tumoren (goedaardig)
Scapha: de holte uitwendig aan het oor, tussen de helix en anthelix.
Maligne tumoren (kwaadaardig)
Teleangiëctasieën: blijvend verwijde bloedvaatjes vlak onder oppervlak v/d huid,
zichtbaar als rode vaattekening met max. 1 mm doorsnede.
Melanocyt: bepaald type huidcel dat melanine-bevattende organellen produceert
(melanosomen) en afgeeft aan de keratinocyten in de basale laag. De huidskleur wordt
voornamelijk bepaald door grootte en aantal v/d pigmentkorrels in de basale cellaag
v/d opperhuid.
3.2. Aandoeningen van de uitwendige gehoorgang – p.72
3.2.1. Congenitale afwijkingen
3.2.2. Oorsmeerprop
3.2.3. Corpus alienum
Foetide otorroe: loopoor
3.2.4. Ontstekingen
Klinisch beeld
Obliteratie: een deel v/h middenoor af te sluiten om te voorkomen dat het
trommelvlies opnieuw kan intrekken en een nieuw cholesteatoom kan ontstaan.