Onderwijskader
HOOFDSTUK 1 = ALGEMENE KENMERKEN VAN DE KLEUTERKLAS
LES 1
🡪 Het kleuteronderwijs betekent voor mij…
● Creatief bezig zijn
● Kleuters laten groeien in hun ontwikkeling
● Sociale contacten met leeftijdsgenootjes
WAT DOEN WE IN EEN WEEK? = WEEK VERLOOP
● Bewegingsopvoeding
● Poppenspel
● Verhaal
● Uitstap
● Bezoek in de klas
● Verjaardagsritueel
● Belangstellingscentrum = thema’s/projecten
● Themaweek
● 1 dag per week turnen
● Woensdag fruitdag
● 1 dag per week naar de bib
● Verjaardag
● Klasje wissel = 3e kleuterklas gaat eens wisselen met de 1e leerjaar)
WAT DOEN WE PER DAG? = DAGVERLOOP
● De dag overlopen
● Muziek
● Spelen in de hoeken
● Ontmoetingsmomenten
○ Koekmoment
○ Toiletmoment
○ Opruimmoment
● Spelen in de hoeken/buiten
● Activiteiten 🡪 begeleid of zelfstandig
● Speeltijd
● refter = middageten
🡪 Ervaringskansen zie volgende les
🡪 Er is niet één manier om onderwijs te organiseren!
WAT IS GOED KLEUTERONDERWIJS
- Kleuters die vol enthousiasme naar school gaan
- Bepaalde kleuters zien groeien
- Een rijk aanbod aan leerkansen
- Goede basis voor het eerste leerjaar
- Enthousiaste leerkracht
- De dag die voorbij vliegt
- Leerkracht die zich kan inleven in kinderen
1
,DRIE CRITERIA VAN GOED ONDERWIJS
Het A-P-E model = een bril waarmee we alles wat ertoe doet als het om kwaliteit gaat, in beeld
kunnen brengen.
AANPAK - PROCES - EFFECT
AANPAK
● Bepaalt kwaliteit op basis van:
- Kenmerk m.b.t. leer- en leefomgeving
- Pedagogisch-didactisch
- Hoe en wat onderwijs
● Hoe vraag
- Hoe is de klas ingericht?
- Hoe ga je om met de kleuters?
- Hoe zorg je voor een rijk aanbod?
🡪 Vanzelfsprekende manier van kijken
🡪 Duidelijke houvast
● Maar…
- Radicale stellingen
- Geen rekening met wisselwerking aanpak en profiel kleuter
EFFECT
● Bepaalt kwaliteit op basis van:
- Wat levert het onderwijs op?
- Meetpunt voor kwaliteit ligt in de output
- eindtermen en ontwikkelingsdoelen als sleutelbegrippen
- Alle twijfels weg bij vooruitgang
● Maar…
- Discussie over volgorde en interpretatie
- Duurt enige tijd zelfs soms jaren
- Vaak testen we enkel meetbare cognitieve vaardigheden
- Meting zinvol zonder voormeting
PROCES
2
, ● Bepaalt kwaliteit op basis van:
- De kwaliteit van de ervaring die de leerling doormaakt!
- Wat speelt er zich ‘in’ de kleuter af?
🡪 Focus op de kwaliteit van de ervaring 🡪 niet de inhoud.
● Welbevinden en betrokkenheid
BETROKKENHEID
🡪 Signalen:
● Concentratie
● Energie
● Creativiteit & complexiteit
● Mimiek en houding
● Persistentie (doorzetting)
● Nauwkeurigheid
● Reactietijd
● Verwoording
● Voldoening
🡪 Schaalwaarden:
- Niveau 1 = geen activiteit
- Niveau 2 = vaak onderbroken activiteit
- Niveau 3 = min of meer aangehouden activiteit
- Niveau 4 = activiteit met intense momenten
- Niveau 5 = volgehouden intense activiteit
WELBEVINDEN
🡪 Signalen:
● Genieten, plezier beleven
● Ontspanning en innerlijke rust
● Vitaliteit
● Openheid
● Spontaneïteit, zichzelf durven zijn
● Zelfvertrouwen, assertiviteit, een positief zelfbeeld
● In voeling met zichzelf
🡪 Schaalwaarden:
- Niveau 1 - 2 = nooit/zelden gelukkig, geniet amper, innerlijk onrustig of gestresseerd.
- Niveau 3 = voelt zich noch echt goed, noch ongelukkig, geniet af en toe, af en toe
onrustig of gestresseerd.
- Niveau 4 - 5 = voelt zich meestal/altijd goed of gelukkig, geniet vaak/altijd ten volle,
straalt innerlijke rust uit.
VOORDELEN VAN PROCESGERICHT KIJKEN:
🡪 Je neemt perspectief in van de kleuters
🡪 Geeft onmiddellijk feedback
🡪 Sluit geen enkele werkvorm en activiteit bij voorbaat uit
🡪 Is de kortste weg naar interventies
3
, ● Wat je denkt over onderwijs en de manier waarop je ernaar kijkt, beïnvloedt je handelen en
denken.
- Doorheen de opleiding 🡪 kennis en inzichten verbreden en leren om open-minded en
kritisch te kijken.
- Alle drie (A-P-E) zijn belangrijk!
DE PEDAGOGISCH DIDACTISCHE PRINCIPES = PDP
🡪 In totaal: 7
1. Sfeer en relatie
2. Mogelijkheden van kinderen
3. Activiteit
4. Samen
5. Werkelijkheidsnabijheid
6. Initiatief
7. Expressie
🡪 Zowel, voor, tijdens als na een activiteit kunnen de PDP’s je inspiratie geven.
🡪 Gebruik deze om een activiteit:
- Op voorhand te overdenken.
- Tijdens de activiteit aanpassingen te doen indien nodig.
- Erna terug te blikken op hoe het verliep
- Wat verliep goed/minder goed?
- Wat kan volgende keer anders?
1. SFEER EN RELATIE
🡪 Hoe kan ik ervoor zorgen dat de kinderen zich goed voelen bij mij en bij elkaar?
- Gevoelig zijn voor beleving van kinderen = denken, willen, voelen
- Aanvaarden zonder dat alles mag en kan
- Actief luisteren en ik-boodschappen
- Afspraken maken en grenzen stellen
2. MOGELIJKHEDEN VAN KINDEREN
🡪 Hoe kan ik ervoor zorgen dat alle kinderen mee kunnen, het begrijpen, het aankunnen, het weten,
het op hun manier kunnen doen…
- Moeilijkheidsgraden inbrengen
- Tussenstappen
- Tempo verlagen of verhogen
- Hulpmiddelen voorzien
- Veelvuldig herhalen
3. ACTIVITEIT
🡪 Hoe kan ik ervoor zorgen dat alle kinderen iets te doen hebben?
🡪 Actief kunnen zijn?
🡪 Kunnen meedoen?
- Tempo verlagen of verhogen
- Niet te lang klassikaal werken
- Iedereen een actieve rol geven
- Bv: kindje van de dag
4
HOOFDSTUK 1 = ALGEMENE KENMERKEN VAN DE KLEUTERKLAS
LES 1
🡪 Het kleuteronderwijs betekent voor mij…
● Creatief bezig zijn
● Kleuters laten groeien in hun ontwikkeling
● Sociale contacten met leeftijdsgenootjes
WAT DOEN WE IN EEN WEEK? = WEEK VERLOOP
● Bewegingsopvoeding
● Poppenspel
● Verhaal
● Uitstap
● Bezoek in de klas
● Verjaardagsritueel
● Belangstellingscentrum = thema’s/projecten
● Themaweek
● 1 dag per week turnen
● Woensdag fruitdag
● 1 dag per week naar de bib
● Verjaardag
● Klasje wissel = 3e kleuterklas gaat eens wisselen met de 1e leerjaar)
WAT DOEN WE PER DAG? = DAGVERLOOP
● De dag overlopen
● Muziek
● Spelen in de hoeken
● Ontmoetingsmomenten
○ Koekmoment
○ Toiletmoment
○ Opruimmoment
● Spelen in de hoeken/buiten
● Activiteiten 🡪 begeleid of zelfstandig
● Speeltijd
● refter = middageten
🡪 Ervaringskansen zie volgende les
🡪 Er is niet één manier om onderwijs te organiseren!
WAT IS GOED KLEUTERONDERWIJS
- Kleuters die vol enthousiasme naar school gaan
- Bepaalde kleuters zien groeien
- Een rijk aanbod aan leerkansen
- Goede basis voor het eerste leerjaar
- Enthousiaste leerkracht
- De dag die voorbij vliegt
- Leerkracht die zich kan inleven in kinderen
1
,DRIE CRITERIA VAN GOED ONDERWIJS
Het A-P-E model = een bril waarmee we alles wat ertoe doet als het om kwaliteit gaat, in beeld
kunnen brengen.
AANPAK - PROCES - EFFECT
AANPAK
● Bepaalt kwaliteit op basis van:
- Kenmerk m.b.t. leer- en leefomgeving
- Pedagogisch-didactisch
- Hoe en wat onderwijs
● Hoe vraag
- Hoe is de klas ingericht?
- Hoe ga je om met de kleuters?
- Hoe zorg je voor een rijk aanbod?
🡪 Vanzelfsprekende manier van kijken
🡪 Duidelijke houvast
● Maar…
- Radicale stellingen
- Geen rekening met wisselwerking aanpak en profiel kleuter
EFFECT
● Bepaalt kwaliteit op basis van:
- Wat levert het onderwijs op?
- Meetpunt voor kwaliteit ligt in de output
- eindtermen en ontwikkelingsdoelen als sleutelbegrippen
- Alle twijfels weg bij vooruitgang
● Maar…
- Discussie over volgorde en interpretatie
- Duurt enige tijd zelfs soms jaren
- Vaak testen we enkel meetbare cognitieve vaardigheden
- Meting zinvol zonder voormeting
PROCES
2
, ● Bepaalt kwaliteit op basis van:
- De kwaliteit van de ervaring die de leerling doormaakt!
- Wat speelt er zich ‘in’ de kleuter af?
🡪 Focus op de kwaliteit van de ervaring 🡪 niet de inhoud.
● Welbevinden en betrokkenheid
BETROKKENHEID
🡪 Signalen:
● Concentratie
● Energie
● Creativiteit & complexiteit
● Mimiek en houding
● Persistentie (doorzetting)
● Nauwkeurigheid
● Reactietijd
● Verwoording
● Voldoening
🡪 Schaalwaarden:
- Niveau 1 = geen activiteit
- Niveau 2 = vaak onderbroken activiteit
- Niveau 3 = min of meer aangehouden activiteit
- Niveau 4 = activiteit met intense momenten
- Niveau 5 = volgehouden intense activiteit
WELBEVINDEN
🡪 Signalen:
● Genieten, plezier beleven
● Ontspanning en innerlijke rust
● Vitaliteit
● Openheid
● Spontaneïteit, zichzelf durven zijn
● Zelfvertrouwen, assertiviteit, een positief zelfbeeld
● In voeling met zichzelf
🡪 Schaalwaarden:
- Niveau 1 - 2 = nooit/zelden gelukkig, geniet amper, innerlijk onrustig of gestresseerd.
- Niveau 3 = voelt zich noch echt goed, noch ongelukkig, geniet af en toe, af en toe
onrustig of gestresseerd.
- Niveau 4 - 5 = voelt zich meestal/altijd goed of gelukkig, geniet vaak/altijd ten volle,
straalt innerlijke rust uit.
VOORDELEN VAN PROCESGERICHT KIJKEN:
🡪 Je neemt perspectief in van de kleuters
🡪 Geeft onmiddellijk feedback
🡪 Sluit geen enkele werkvorm en activiteit bij voorbaat uit
🡪 Is de kortste weg naar interventies
3
, ● Wat je denkt over onderwijs en de manier waarop je ernaar kijkt, beïnvloedt je handelen en
denken.
- Doorheen de opleiding 🡪 kennis en inzichten verbreden en leren om open-minded en
kritisch te kijken.
- Alle drie (A-P-E) zijn belangrijk!
DE PEDAGOGISCH DIDACTISCHE PRINCIPES = PDP
🡪 In totaal: 7
1. Sfeer en relatie
2. Mogelijkheden van kinderen
3. Activiteit
4. Samen
5. Werkelijkheidsnabijheid
6. Initiatief
7. Expressie
🡪 Zowel, voor, tijdens als na een activiteit kunnen de PDP’s je inspiratie geven.
🡪 Gebruik deze om een activiteit:
- Op voorhand te overdenken.
- Tijdens de activiteit aanpassingen te doen indien nodig.
- Erna terug te blikken op hoe het verliep
- Wat verliep goed/minder goed?
- Wat kan volgende keer anders?
1. SFEER EN RELATIE
🡪 Hoe kan ik ervoor zorgen dat de kinderen zich goed voelen bij mij en bij elkaar?
- Gevoelig zijn voor beleving van kinderen = denken, willen, voelen
- Aanvaarden zonder dat alles mag en kan
- Actief luisteren en ik-boodschappen
- Afspraken maken en grenzen stellen
2. MOGELIJKHEDEN VAN KINDEREN
🡪 Hoe kan ik ervoor zorgen dat alle kinderen mee kunnen, het begrijpen, het aankunnen, het weten,
het op hun manier kunnen doen…
- Moeilijkheidsgraden inbrengen
- Tussenstappen
- Tempo verlagen of verhogen
- Hulpmiddelen voorzien
- Veelvuldig herhalen
3. ACTIVITEIT
🡪 Hoe kan ik ervoor zorgen dat alle kinderen iets te doen hebben?
🡪 Actief kunnen zijn?
🡪 Kunnen meedoen?
- Tempo verlagen of verhogen
- Niet te lang klassikaal werken
- Iedereen een actieve rol geven
- Bv: kindje van de dag
4