4. Hemostase
A. Algemene eigenschappen
= alle mechanismen die bijdragen aan de bloedstelping (≠ stolling!!!)
- Bij stolling gaat het over een bepaald onderdeel van de hemostase, bij stelping over het
geheel!
• Niet-functionerende hemostase kan leiden tot ernstige bloedingen
• Bloedingen kunnen ook optreden zonder externe verwonding (interne bloeding)
• Wanneer stollingsmechanismen té actief: klontervorming met block en hypoxie in de weefsels
(trombose), resulterend in weefseldood
• Hemostase na verwonding bestaat uit 3 mechanismen die zorgen dat het bloeden stopt:
o Contractie van het beschadigde bloedvat
o Vormen van een bloedplaatjes prop
o Vormen van een bloedstolsel hierin hebben bloedplaatjes ook essentiële rol
• Achteraf: verwijderen van bloedplaatjesprop en bloedklonter
• Bloedplaatjes spelen cruciale rol in de hemostase:
- Vormen de bloedplaatjes prop die de bloeding zal stoppen
- Ondersteunen de andere mechanismen
• Endotheelcellen vormen de aflijning van de bloedvaten: glad en inert oppervlak
- Normaal: geen vorming van klonters of bloedplaatjesprop
- Na verwonding: sub-endotheel wordt blootgelegd => activatie van
hemostatische mechanismen
A. Mechanisme van de hemostase
• Bloedvat contractie:
- Bij verwonding van bloedvat: gladde spiercellen in bloedvatwand trekken samen =>
bloedvloei neemt af (perifere vasoconstrictie)
- Wordt veroorzaakt door:
➢ Lokale neurale reflexen
➢ Direct mechanische impact op gladde spiercellen
➢ Vaso-actieve substanties (komen vrij na weefselbeschadiging en uit bloedplaatjes)
- Moet bloedverlies beperken tot bloedplaatjesprop gevormd is
- Kan tot 30 min aanblijven, afhankelijk van de omvang van de beschadiging
• Vorming van bloedplaatjesprop:
- In normale omstandigheden: bloedplaatjes hebben geen ‘kleef’ eigenschappen
- Wanneer endotheelbeschadiging:
➢ Bloedplaatjes gaan kleven aan de bloedvatwand
➢ Wordt bevorderd door het plasma eiwit Von Willebrand factor:
▪ Gevormd in endotheelcellen en trombocyten
▪ Vormt bruggen tussen receptoren op oppervlak van bloedplaatjes en collageenvezels
in bindweefsel (plakken)
MARTHE D'HAEYERE 75
,Fysiologie en pathofysiologie 1 2de Bachelor
- Bloedplaatjes gaan zwellen en sturen uitlopers uit (‘vingertjes’)
- Tegelijkertijd geven bloedplaatjes aantal stoffen vrij uit vesikels:
➢ Adenosine difosfaat (ADP): oppervlak van de bloedplaatjes wordt kleverig => nieuwe
plaatjes zullen eraan vastkleven
➢ Nieuw gefixeerde bloedplaatjes geven ook ADP vrij
➢ Daarop wordt thromboxaan A gevormd uit arachidonzuur (een membraan fosfolipide)
➢ Thromboxaan A verhoogt plaatjesaggregatie direct en indirect door verhoogde ADP
release (meer gaan kleven)
➢ Uiteindelijk wordt trombocyten prop gevormd
(bij individuen met verhoogd risico op bloedklonters: aspirine (enzym blokkeren dat
arachidonzuur omzet naar thromboxaan A2)
➢ Thromboxaan A zorgt samen met serotonine voor bijkomende bloedvatcontractie
- Daarom werkt het ook bij 1e proces: vasoconstrictie
- Cruciaal dat propvorming beperkt blijft tot de beschadigde zone:
➢ Stikstofmonoxide (NO) wordt vrijgesteld door onbeschadigde endotheelcellen: werkt
bloedplaatjes aggregatie tegen
➢ Onbeschadigde endotheelcellen bevatten een enzyme dat arachidonzuur omzet naar
prostacycline
➢ Prostacycline werkt ook de bloedplaatjes aggregatie tegen
➢ Bloedplaatjes en endotheelcellen hebben ook negatieve ladingen aan de buitenzijde
=> afstoting
- Initieel los van structuur
- Na de bloedvatbeschadiging: bloedstolling ook op gang
- Bloedstolling veroorzaakt netwerk van fijne fibrinedraden in en rond de bloedplaatjes prop
- Fibrinedraden versterken de prop => weerstand tegen druk uitgaande van het bloed
- Na 0,5 tot 1 uur trekt de bloedklonter samen:
➢ Wondranden worden naar elkaar toe getrokken => bloedvat defect verkleint
➢ Veroorzaakt door retractie van trombocyten-uitlopers + actine-myosine
➢ Door krimpen komt gele vloeistof vrij = serum
➢ Serum = plasma zonder stollingsfactoren die werden gebruikt in de bloedstolling
- Rol van de bloedplaatjesprop: afhankelijk van de omvang van het defect:
➢ Dagelijks worden honderden kleine defecten opgelost door bloedplaatjes
➢ Geldt ook voor beschadigde capillairen en kleine venules
➢ Bij grotere defecten in arterie/vene: wel een poging doch geen effectieve propvorming
▪ Hierbij 3e mechanisme (bloedstolling) nodig
MARTHE D'HAEYERE 76
, Fysiologie en pathofysiologie 1 2de Bachelor
• Bloedstolling:
- Bij (snij)wonde: bloedvloei uit de wonde
- Enkele minuten later stopt bloeding: bloedstolling of coagulatie
- Oplosbaar fibrinogeen (= plasma eiwit) wordt omgezet naar fibrine
=> netwerk van onoplosbare filamenteuze molecules
- Fibrinenetwerk:
(In les niet echt ➢ Vangt de bloedcellen waardoor bloedklonter of gelatineuze massa gevormd wordt
gedaan) ➢ Bloedklonter dicht het defect; daaropvolgende contractie versterkt de sluiting
- Belangrijkste hemostatisch mechanisme bij grotere schade aan bloedvaten, niet altijd nodig
- ± 50 substanties zijn betrokken bij de bloedstolling:
➢ Meeste bevorderen de bloedstolling
➢ Enkele inhiberen de bloedstolling
=> balans tussen beide bepaalt of er al dan niet bloedstolling plaats vindt
- Substanties die stolling activeren, circuleren onder inactieve vorm:
➢ Wanneer geen vaatbeschadiging: stollings-inhibitoren domineren
➢ Wanneer wel vaatbeschadiging: lokale activatie van coagulatiefactoren en vorming van
➢ Bloedklonter
- Activatie van stollingsfactoren = kettingreactie
- Activatie van 1 molecule van bepaalde factor
=> Activatie van vele moleculen van volgende factor in de ketting
=> Finaal: fibrinevorming
• Stapsgewijze activatie van inactieve moleculen dat resulteert in een biologisch effect = cascade
reactie
• Factoren die coagulatie bevorderen:
- Stollingsfactoren I -> XIII waarvan langst gekende aangeduid worden met naam:
➢ Factor I = fibrinogeen: belangrijk want fibrine-vorming is eindstadium van cascade
➢ Factor II = pro-thrombine
- Veel coagulatiefactoren worden in lever gesynthetiseerd: afhankelijk van Vit K!!
(=vetoplosbaar)
➢ Bij afwezigheid of tekort is er meer kans op bloedingen! Geen bloedstollingsfactoren
aanw. (Warfarine: geen vitamine K meer worden opgenomen: tegen bloedklonters)
• Bloedstolling: het eigenlijke proces:
- Fibrinogeen (=inactieve vorm):
➢ Plasma eiwit in het bloed van gezonde dieren
➢ Verbindt de bloedplaatjes (essentieel voor vorming van bloedplaatjes prop)
➢ Thrombine splitst stukje af van de fibrinogeen molecule => omzetting naar fibrine
(=actief)
- Fibrine:
➢ Moleculen los aan elkaar gekoppeld waardoor lange draden gevormd worden
➢ Gaandeweg vorming van sterke chemische bindingen door thrombine-geactiveerde
factor XIII!
=> Thrombine vormt én stabiliseert fibrine
MARTHE D'HAEYERE 77
, Fysiologie en pathofysiologie 1 2de Bachelor
- Thrombine dat fibrinogeen omzet naar fibrine: kan NIET onder actieve vorm in het bloed
aanwezig zijn
- Inactieve precursor aanwezig: pro-thrombine
- Factor X zet pro-thrombine om naar thrombine tijdens de bloedstolling
- Factor X is ook niet in zijn actieve vorm aanwezig in de bloedbaan: wordt geactiveerd bij
bloedvatbeschadiging via:
➢ Intrinsieke activatiesysteem
➢ Extrinsieke activatiesysteem
-> beide systemen bevatten meerdere coagulatie factoren
- Factor X activatie:
➢ Intrinsieke activatiesysteem:
▪ Zorgt voor stolling in vivo en in vitro (in glasbuis)
▪ Alle betrokken factoren bevinden zich in het bloed
➢ Extrinsieke activatiesysteem:
▪ Wordt het eerst in gang gezet
▪ Onbelangrijk voor de stolling in vitro
▪ Wordt getriggerd door weefselfactor (subendotheliale weefsel) (factor III) die NIET
in het bloed aanwezig is
=> wordt vrijgegeven uit de bloedvatwand of weefsel bij schade
▪ Hoe groter de beschadiging, hoe groter de impact van dit systeem op de stolling
Intrinsieke activatiesysteem:
• Bij schade: collageen en/of subendotheliale matrix komt bloot te liggen
• Activatie factor XII (ook in vitro wanneer bloed in contact met proefbuiswand)
• Contact bloed – collageen bij beschadiging veroorzaakt vorming van:
- Bloedplaatjes prop
- Bloedstolsels
=> Beiden versterken elkaar ook
• Bloedplaatjes aggregatie zet fosfolipiden vrij (factor III)
• Thrombine, gevormd tijdens de stolling, bevordert
bloedplaatjesaggregatie
• Factoren V en VIII maken geen deel uit van de cascade, maar
zijn onmisbaar
- V: activatie van pro-thrombine
- VIII: intrinsieke activatie factor X
• Thrombine: speelt centrale rol
Extrinsieke pathway: zorgt ervoor dat thrombine wordt gevormd,
maar dat is te weinig om echt fibrinenetwerk te vormen. Maar het
zorgt wel voor stimulatie van intrinsieke pathway → positieve
feedback!!
• Thrombine: speelt centrale rol
=> accelereert eigen synthese door factoren te activeren in
voorgaande stappen (factoren V, VIII en XI)
Van zodra het endotheel blootgesteld wordt: Factor III gaat factor X activeren
MARTHE D'HAEYERE 78