H1 (alleen herhaling 1ste jaar)
Symbolen
|a| = de absolute waarde van a
−( a ) = het tegengestelde van a
a
−1
= het omgekeerde van a
Hakenregel
Staat er een + voor de haken laat de haken dan weg en reken uit
+ ( a−b ) = a−b
Staar er een – voor de haken laat de min weg doe de haken weg en verander
alle toestandstekens naar het tegengestelde toestandsteken
−( a−b ) = a+ b
Gehele getallen vermenigvuldigen
Kommagetallen vermenigvuldigen
1. Bepaal het toestandsteken zoals hierboven
2. Laat de komma weg en vermenigvuldig de getallen
3. Het aantal getallen achter de komma optellen= 0,7 ⋅0,08 = 3 getallen
achter de komma
+
Breuken vermenigvuldigen
x
7 3 21 Vereenvoudigen = in de vorm van een kruis
⋅ =
9 5 45 NIET naast elkaar vereenvoudigen
x
, Gehele getallen delen
1. Bepaal het toestandsteken
2. Deel de absolute waarden
48 : (−6 ) = - 8
Breuken delen
1. Bepaal het toestandsteken
2. Maak van de deling een vermenigvuldiging door het omgekeerde van de
2de breuk te nemen
3. Vermenigvuldig de tellers met elkaar en de noemers met elkaar
3 5 3 9 27
: = ⋅ =
8 9 8 5 40
Machtsverheffing
1. Bepaal het toestandsteken
Bij een positief grondtal = +
Bij een negatief grondtal even exponent = +
oneven exponent = -
2. Bereken de macht ( +3 )3 =3⋅ 3 ⋅3
Bij een breuk = teller en noemer tot de macht verheffen
Volgorde van de bewerkingen
1. Tussen de haken
2. Vierkantswortels en machten (links → rechts)
3. Vermenigvuldigen en delen (links → rechts)
4. Optellen en aftrekken (links → rechts)