Vraag 1:
Geef aan of onderstaande stellingen juist zijn
• Stelling 1: Een fabrikant van elektrische fietsen past haar bestaande semi-
geautomatiseerde productielijn van het standaardmodel zodanig aan dat nu ook 3
speciale modellen op de lijn kunnen worden geproduceerd, waardoor de lijn ruim 30%
meer producten produceert dan vóór de aanpassing. Dit is het behalen van
kostenvoordeel via het principe van “economies of scale”.
• Stelling 2: Eén van de redenen waarom organisaties bestaan, is dat organisaties macht
en controle kunnen uitvoeren over mensen die voor de organisatie werken.
A. Beide stellingen zijn juist;
B. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist;
C. Stelling 2 is juist, stelling 1 is onjuist;
D. Beide stellingen zijn onjuist;
Vraag 2:
Transactiekosten zijn
A. De kosten die gepaard gaan met het leveren van goederen of
diensten aan een klant;
B. De kosten van financiële transacties tussen organisaties;
C. De kosten van de inkoop van grondstoffen bij leveranciers;
D. De kosten van interacties tussen mensen, zowel in organisaties
als tussen organisaties;
Vraag 3:
Een producent van computers was bezorgd over de effectiviteit
van de organisatie. De directie nam het besluit om de
organisatiestructuur aan te passen en een managementlaag te
schrappen. Welke van de volgende benaderingen kan worden
gebruikt om de effectiviteit van deze maatregel op de
organisatie te evalueren?
A. Externe bronnen;
B. Interne bronnen;
C. Technische;
D. Transactiekosten;
Vraag 4:
Een schoenenfabrikant wil onderzoeken wat de productiviteit is
van de productielijn van de schoenen met veters. De manager
heeft de beschikking over verschillende gegevens. Welke van de
onderstaande gegevens speelt géén rol bij het bepalen van de
productiviteit van dit proces?
A. De tijd die nodig is om een schoen te produceren;
B. Het aantal veters dat beschikbaar is;
C. Het aantal schoenen dat per dag wordt geproduceerd;
D. De kosten voor elektriciteit die nodig is om de machines op de
, productielijn te laten draaien.
Vraag 5:
Welk van onderstaande aspecten is een typische eigenschap van
massaproductie?
A. De rotatie van personeel over verschillende taken;
B. Hoge productiekosten;
C. Niet-routinematige productietaken;
D. Sequentiële taken.
Vraag 6:
Geef aan of onderstaande stellingen juist zijn
• Stelling 1: Met de productielijn van de T-Ford werd gekozen voor
standaardisatie van het productieproces.
• Stelling 2: De Contingency Theory stelt dat er slechts één mogelijk
organisatieontwerp is dat altijd van toepassing is.
A. Beide stellingen zijn juist;
B. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist;
C. Stelling 2 is juist, stelling 1 is onjuist;
D. Beide stellingen zijn onjuist;
Vraag 7:
Geef aan of onderstaande stellingen juist zijn
Stelling 1: Niet alle stakeholders zijn even belangrijk voor een organisatie.
Stelling 2: Het agency problem gaat over welke methode je hanteert voor het afleggen van
verantwoording, nadat je autoriteit hebt gedelegeerd naar
managers.
A. Beide stellingen zijn juist
B. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
C. Beide stellingen zijn onjuist
D. Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist
Vraag 8:
Een verhuurder van fietsen wil een nieuwe winkel openen op Texel. Om te
bepalen welk assortiment zal worden aangeboden, voert de directie een
stakeholdersanalyse uit. Hieronder staat een aantal combinaties van
stakeholders. Welke van de onderstaande combinaties zal voor de verhuurder
het minst belangrijk zijn in de afweging welk assortiment aan te bieden?
A. Inwoners van Texel, Toeristen en lokale overheid;
B. Andere verhuurders, toeristen en lokale overheid;
C. Landelijke overheid, aanbieders openbaar vervoer eiland, bootmaatschappij;
D. Leveranciers, inwoners van Texel en andere verhuurders:
Vraag 9:
Een manager neemt het besluit om de nieuwe fabriek in een
locatie te plaatsen zodat de algemene opbrengsten over de