1e naamval = onderwerp of naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde
2e naamval = bezitsverhouding tussen twee zelfstandige naamwoorden (de broer van mijn vriend)
De tweede naamval kan ook voorkomen in een andere naamval
3e naamval = meewerkend voorwerp
4e naamval = lijdend voorwerp of tijdsbepaling
Naamwoordelijk gezegde bestaat uit:
- Werkwoordelijk gezegde (alle werkwoorden in de zin)
- Naamwoordelijk gezegde
Koppelwerkwoord: zijn, worden, lijken, blijken, blijven, schijnen, heten, dunken, voorkomen
Bij een koppelwerkwoord is er sprake van een eerste naamval
Voorbeeldzin: Ik ben docent
Ik = onderwerp
Ben = koppelwerkwoord
Docent = naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde = 1e naamval
Docent is dezelfde persoon als ik, daarom is het ook eerste naamval
Woorden op “-ung” zijn vrouwelijk, ook keit, heid, schaft,
Dagen zijn mannelijk
Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
e
1 naamval Der Die Das Die
2e naamval Des Der Des Der
3e naamval Dem Der Dem Den
4e naamval Den Die Das Die
, Haben, sein en werden
Haben - hebben
Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid deelwoord
Ich Habe Hatte Gehabt
Du Hast Hattest Gehabt
Er/sie/es Hat Hatte Gehabt
Wir Haben Hatten Gehabt
Ihr Habt Hattet Gehabt
sie/Sie Haben Hatten Gehabt
Gebiedende wijs bij hebben (haben)
Hab(e) enkelvoud
Habt meervoud
Haben Sie beleefdheidsvorm
Sein – zijn
Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid deelwoord
Ich Bin War Gewesen
Du Bist Warst Gewesen
Er/sie/es Ist War Gewesen
Wir Sind Waren Gewesen
Ihr Seid Wart Gewesen
sie/Sie Sind Waren Gewesen
Gebiedende wijs bij zijn (sein)
Sei enkelvoud
Seid meervoud
Seien Sie beleefdheidsvorm
Werden – zullen
Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid deelwoord
Ich Werde Würde
Du Wirst Würdest
Er/sie/es Wird Würde
Wir Werden Würden
Ihr Werdet Würdet
sie/Sie Werden Würden
Werden – worden
Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid deelwoord
Ich Werde Wurde Geworden/worden
Du Wirst Wurdest Geworden/worden
Er/sie/es Wird Wurde Geworden/worden
Wir Werden Wurden Geworden/worden
Ihr Werdet Wurdet Geworden/worden
sie/Sie Werden Wurden Geworden/worden
Gebiedende wijs bij worden (werden)
Werde enkelvoud