Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Other

Begrippenlijst

Rating
-
Sold
-
Pages
7
Uploaded on
30-06-2023
Written in
2022/2023

Begrippenlijst van het hele blok

Institution
Course

Content preview

Definitielijst

Probleem 1

 Integratie: de sterkte van de band dat we hebben met de samenleving.
 Regulatie: het niveau van externe beperking op mensen.
 Moraliteit: principes die ons gedrag beheersen.
 Collectief bewustzijn: de algemene structuur van gedeelde afspraken, normen en geloven.
 Collectieve representaties: collectieve concepten en sociale krachten. Zijn niet individueel omdat ze
voortkomen uit interacties.
 Volume: in mechanische solidariteit de hele maatschappij en in organische solidariteit bepaalde
groepen.
 Intensiteit: in mechanische solidariteit hoog en in organische solidariteit laag.
 Stijfheid: in mechanische solidariteit hoog en in organische solidariteit laag.
 Tevredenheid: in mechanische solidariteit religieus en in organische solidariteit moreel individualisme.
 Sociale stromingen: sociale feiten die zich niet in de standaard vorm vertonen.
 Division of labor: er is een stabiele organisatie van taken en rollen die het gedrag van individuen en
groepen regelt.
 Dynamische dichtheid: het aantal mensen in een samenleving en het niveau van interactie tussen hen.
 Normloze division of labor: er is weinig regulatie in een samenleving en er wordt afgezien van mensen
vertellen wat ze moeten doen, waardoor anomie ontstaat.
 Geforceerde division of labor: verouderde normen en verwachtingen kunnen individuen en groepen
forceren naar posities waar ze slecht voor geschikt zijn. Hierdoor kunnen er conflicten en isolatie
ontstaan, waardoor normloosheid vergroot kan worden.
 Slecht geregelde division of labor: bepaalde functies worden door mensen bekleed die het slecht
regelen. Het zorgt ervoor dat hoe het geregeld wordt zorgt voor isolatie in plaats van sociale
solidariteit.
 Pathologische samenleving: een samenleving wijkt af van wat normaal wordt gevonden.
 Gezonde samenleving: een samenleving waarin dingen gebeuren die normaal worden gevonden.
 Competitie: het resultaat van morele, dynamische of fysieke dichtheid.
 Sociale differentiatie: mensen leren hoe ze moeten denken, voelen en gedragen, doordat ze de cultuur
van de groep overnemen.
 Sociaal feit: sociale structuren en culturele normen en waarden die extern zijn aan actoren en die van
dwingende invloed zijn.
 Materiële sociale feiten: culturele artefacten: fysieke objecten die een culturele betekenis hebben.
 Niet materiële sociale feiten: symbolische betekenissen en collectieve gevoelens.
 Sociale solidariteit: een term voor het niveau van integratie in een maatschappij.
 Mechanische solidariteit: hierbij wordt er gekeken naar hoe verschillende delen fysiek en
onwillekeurig met elkaar verbonden zijn.
 Repressieve wet: criminaliteit en deviantie verstoren morele gevoelens. Het doel van straffen is
boeten.
 Organische solidariteit: complex, de delen zijn vaak verschillend van elkaar, hebben verschillende
functies en zijn op verschillende submanieren met elkaar verbonden.
 Herstelrecht: criminaliteit en deviantie verstoren de sociale orde. Is gemaakt om de relatie tussen de
overtreder en de gebroken sociale relaties te herstellen.
 Anomie: sociale instabiliteit en persoonlijke onrust, wat voortkomt uit onvoldoende regulatie van
individuele activiteiten.

Hoorcollege 1

 Deindividualiseren: gedrag van het individu af zien.
 Defamiliariseren: het normale als abnormaal zien.

Probleem 2

 Marx’ sociale theorie: een analyse van ongelijkheid onder het kapitalisme en hoe je dit verandert.
 Dialectiek: de tegenstellingen worden niet opgelost door een filosoof die in zijn stoel zit, maar door
een leven of dood struggle die de sociale wereld verandert.
 Tegenstellingen van kapitalisme: de tegenstellingen in de wereld.

,  Reciproke relaties: een factor kan invloed hebben op een andere factor, maar het kan net zo goed zijn
dat de laatstgenoemde factor weer hetzelfde effect heeft op de eerste.
 Species-being: de eigenschappen en krachten van mensen die mensen onderscheiden van andere
soorten.
 Objectificatie: ons werk creëert iets in de realiteit wat eerst alleen in gedachten bestond.
 Vervreemding: Marx geloofde dat de relatie tussen werk en de menselijke natuur verslechterd werd
door kapitalisme.
 Kapitalisme: een economisch systeem met grote aantallen werkers die enkele grondstoffen hebben
voor de winst van de kapitalisten die alles hebben.
 Kapitaal: geld dat meer geld produceert.
 Bourgeoisie: kapitalisten in de moderne economie. De eigenaren van de productiemiddelen en de
betaler van het loon.
 Proletariaat: de werkers die hun eigen waarden opzij zetten voor het werken voor de kapitalist.
 Proletarianisatie: het proces van werkers die nog armer worden, omdat het kapitalisme alleen maar
groter wordt door de opkomst van industrie en machines.
 Ideologie: ideeën die normaal voortkomen uit het dagelijks leven, laten nu de realiteit omgekeerd zien
door het kapitalisme.
 Grondstoffen: de producten die werkers gebruiken om te produceren voor de kapitalist.
 Kwantitatief verschillend: er is in cijfers weer te geven wat de verschillen in waarde zijn tussen
bepaalde grondstoffen.
 Fetishism of commodities: het proces dat de grondstoffen een eigen, onafhankelijk object worden, die
gebruikt worden voor de verkoop in het kapitalisme.
 Uitbuiting: een noodzakelijk deel van de kapitalistische samenleving. Werkers zetten hun eigen
behoeften aan de kant voor het werk en het geld wat ze ervoor krijgen.
 Surplus value: het verschil tussen de waarde van het product als het verkocht wordt en de waarde van
de elementen die in de productie van het product zitten.
 Historisch-materialisme: de manier waarop mensen voorzien in hun materialistische behoeften.
Mensen hebben productrelaties met elkaar om te voorzien in hun behoeften.
 Conflict theorie: probeert de sociale factoren en processen die tot conflicten in de maatschappij leiden
uit te leggen.
 Kritische theorie: zien sociale factoren en processen als specifiek historisch.
 Use-value: de echte functie van een product.
 Exchange-value: de waarde van een grondstof wanneer deze verkocht wordt in vergelijking met
andere grondstoffen.
 Absolute surplus labor: het resultaat van het verlengen van de werktijd.
 Relatieve surplus labor: het resultaat van het verminderen van de nodige werktijd.
 Commodificatie: het proces waarbij steeds meer van de menselijke wereld in grondstoffen wordt
omgezet.
 Overproductie: kapitalisten investeren, hierdoor gaan de markt, industrialisatie en de
werkgelegenheid omhoog. Hierdoor blijven de menselijke behoeften vervuld worden en blijft de markt
groter worden. Overproductie gaat door totdat er te veel productie is voor de huidige vraag, de
economie slinkt en kleine bedrijven stoppen. Het kapitalisme blijft in een paar kleine handen.

Hoorcollege 2

 Structureel-functionalisme: veronderstelt dat sociale verschijnselen en instituties het best kunnen
worden verklaard in termen van de functies die zij vervullen voor de continuïteit en stabiliteit van de
gehele samenleving.
 Manifeste functies: herkende en bedoelde gevolgen van een sociale structuur.
 Latente functies: niet-herkende, onbedoelde gevolgen van een sociale structuur.
 Disfuncties: een bepaald sociaal verschijnsel is disfunctioneel als de effecten ervan nadelig zijn voor de
functionele vereisten en het voortbestaan van een systeem.
 Conflict paradigma: de maatschappelijke verhoudingen zijn de resultante van een voortdurende strijd
tussen partijen. Er vindt voortdurend strijd plaats tussen groepen.
 Sociaal constructivisme: focust vooral op individuele betekenisgeving en handelen. Betekenisgeving:
mensen handelen op basis van betekenissen die zij aan situaties en dingen geven, betekenis ontleen je
aan, en vormen zich in, de alledaagse omgeving, interacties en cultuur en betekenissen liggen niet
vast, maar worden soms ook genegeerd of herzien.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
June 30, 2023
Number of pages
7
Written in
2022/2023
Type
OTHER
Person
Unknown

Subjects

$4.16
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
evaverkoren0 Erasmus Universiteit Rotterdam
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
57
Member since
3 year
Number of followers
20
Documents
326
Last sold
4 days ago
Criminologie en rechtsgeleerdheid samenvattingen!

Samenvattingen van criminologie en rechtsgeleerdheid (Erasmus Universiteit Rotterdam). Zowel samenvattingen van de problemen als samenvattingen van de leerdoelen als begrippenlijsten verkrijgbaar. Tevens alles bij elkaar in voordeelbundels voor een klein prijsje!

3.7

7 reviews

5
1
4
5
3
0
2
0
1
1

Trending documents

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions