Je neemt deel aan het maatschappelijk leven
2. Activiteiten L.
Wat je doet, uitvoert…
Hoe je iets doet, verwoordt…
3. Externe factoren A.
De kernmerken van je (fysieke en sociale)
omgeving, zij kunnen een positieve of
negatieve invloed hebben op je functioneren
4. Functies B.
De fysiologische en mentale werking/ taken
van de verschillende delen van je lichaam
5. ICF K.
Internationale Classificatie voor het
beschrijven van het menselijke Functioneren
6. Participatieproblemen C.
Moeilijkheden die je hebt bij het uitvoeren
van activiteiten
7. Persoonlijke factoren I.
Je individuele lichamelijke kernmerken en
karakter
8. Schema E.
Logische ordening van informatie aan de
hand van algemene termen/ begrippen
9. Beperkingen F.
Moeilijkheden die je hebt bij het uitvoeren
van activiteiten
10. Medische factoren H.
De ziekte, de aandoening of het letsel dat
iemand heeft
11. Stoornissen D.
Afwijkingen in of verlies van functies of
anatomische eigenschappen
12. Anatomische G.
eigenschappen De positie, aanwezigheid, vorm en
continuïteit van onderdelen van het menselijk
lichaam