Hoofdstuk 5
Kosten en uitgaven: Er is een verschil tussen kosten en uitgaven. Uitgaven zijn
bijvoorbeeld het terugbetalen van een lening, dit geld gaat van je
rekening af maar heb je ook ooit gekregen. Kosten zijn bijvoorbeeld
de uitgaven voor de grondstoffen in je productieproces.
Kosten: Gelduitgaven in het verleden, heden of de toekomst, die
toegerekend worden aan een bepaalde periode. De kosten zijn alleen
het deel van de uitgaven die je ook daadwerkelijk hebt gebruikt. (je
huidige voorraad gaat er dus nog van af)
Voorbeeld: de huur die je betaalt per kwartaal. In de toekomst is
bijvoorbeeld het bedrag dat je over je telefoonabonnement heen
bent gegaan.
De maandelijkse loonbetalingen zijn gelijk kwa kosten als
Uitgaven: Je kan ook meerdere jaren kosten opsparen en aan het
einde de uitgaven doen,
Vaste kosten: Kosten die niet veranderen door een verandering in de
bedrijfsdrukte. Dus de standaard kosten niet afhankelijk van
omstandigheden.
Variabele kosten: Kosten die afhankelijk zijn van de productie of de situatie. We gaan
ervanuit dat deze kosten altijd hetzelfde blijven.
Toch de volgende kennen:
Proportioneel variabel: de kosten blijven contant hetzelfde.
Proportioneel degressief: de kosten nemen af naar mate de
productie toeneemt. (Korting op inkoop door grote hoeveelheden.
Proportioneel progressief: je kosten nemen toe hoe meer je gaat
produceren. (Wanneer het personeel overuren gaat draaien)
Break-evenpoint (BEP): Wanneer je kosten gelijk zijn aan je inkomsten. Je dus op een 0-punt
uitkomt. SOM= Totale kosten (TK) = Totale opbrengsten (TO)
TO = C+V
C/ (P-V)
BEP= Break even point
BEA=Break even afzet (Aantallen) C/ (P-V) Zit er sws in!!!!!!!
Constantekosten/ (prijs- variabele kosten pp)
Dit antwoord is dus in stuks
BEO=Break even omzet (Bedrag, handelsonderneming)
Productieonderneming: (aantallen)
- Er is sprake van een homogeen (hetzelfde) product
- De vaste kosten blijven hetzelfde
- De variabele kosten hangen af van de productie
- Een vaste verkoopprijs
Totale kosten * aantal verkochte producten ([C+V]*Q)
Verkoopprijs * aantal verkochte producten (P*Q) Q=aantal
Bovenstaande moeten beiden op hetzelii8fde uitkomen!
BBE-BEC= Tentamenstof: H 5+6 + salarisadministratie (lesbrief salarissen 1 sept. & Heezen
bedrijfseconomie voor besturenorganisaties) (ca. 10 vragen)
Landelijk tentamen= Meerkeuze, heel boek (H6 niet) + salarisadministratie (50 vragen) 33g =5.5
, Handelsonderneming: (bedrag/ euro’s)
- Er is sprake van een verschillende producten
- De vaste kosten zijn niet hetzelfde
De formule: C / Brutowinst %= - De variabele kosten hangen af van de productie
Omzet: 6 100% - Verschillende verkoopprijzen
IWO: De formule
4 is dan:
66,66% (P*Q) – (V*Q)
Andere formule is: BEP= C / Brutowinst %
Brutowinst: 2 33,33%
of BEP= C / Brutowinst % * 100
Kostprijsberekening: Er zijn 2 doelen bij kostprijsberekening: 1. Een verkoopprijs bedenken
die hoger ligt dan je kosten. 2. Bij een bestaande verkoopprijs door
de markt, of dat deze lagen ligt dan je kosten.
Kostprijs = (Constante kosten bij N / Normale productie) + (Variabele
kosten bij W / werkelijke productie)
Dus: (C / N) = (V / W)
Directe kosten: Kosten waarbij er een direct verband tussen het ontstaan van de
kosten en het product of dienst kan worden vastgesteld.
Alles wat direct aan kosten toebehoord: Voorbeeld Wijn:
- Grondstoffen
- Druiven
- Kurken flessen
- Loon Medewerkers
Indirecte kosten: Kosten waarbij geen direct verband tussen het ontstaan van de
kosten en het product of dienst kan worden vastgelegd of wanneer
dit economisch niet zinvol is.
Dit is altijd een van de onderstaande opslagmethode!
- Loonkosten directeur, secretaresse, marketing
- Catering en beveiliging
Voorbeeld HAN: Directe kosten zijn loon docenten maar indirect van de beveiliging.
Dit wordt beide verrekend in het collegegeld.
Ggg
Constant Constant
Direct Indirect
Variabel Variabel
BBE-BEC= Tentamenstof: H 5+6 + salarisadministratie (lesbrief salarissen 1 sept. & Heezen
bedrijfseconomie voor besturenorganisaties) (ca. 10 vragen)
Landelijk tentamen= Meerkeuze, heel boek (H6 niet) + salarisadministratie (50 vragen) 33g =5.5
Kosten en uitgaven: Er is een verschil tussen kosten en uitgaven. Uitgaven zijn
bijvoorbeeld het terugbetalen van een lening, dit geld gaat van je
rekening af maar heb je ook ooit gekregen. Kosten zijn bijvoorbeeld
de uitgaven voor de grondstoffen in je productieproces.
Kosten: Gelduitgaven in het verleden, heden of de toekomst, die
toegerekend worden aan een bepaalde periode. De kosten zijn alleen
het deel van de uitgaven die je ook daadwerkelijk hebt gebruikt. (je
huidige voorraad gaat er dus nog van af)
Voorbeeld: de huur die je betaalt per kwartaal. In de toekomst is
bijvoorbeeld het bedrag dat je over je telefoonabonnement heen
bent gegaan.
De maandelijkse loonbetalingen zijn gelijk kwa kosten als
Uitgaven: Je kan ook meerdere jaren kosten opsparen en aan het
einde de uitgaven doen,
Vaste kosten: Kosten die niet veranderen door een verandering in de
bedrijfsdrukte. Dus de standaard kosten niet afhankelijk van
omstandigheden.
Variabele kosten: Kosten die afhankelijk zijn van de productie of de situatie. We gaan
ervanuit dat deze kosten altijd hetzelfde blijven.
Toch de volgende kennen:
Proportioneel variabel: de kosten blijven contant hetzelfde.
Proportioneel degressief: de kosten nemen af naar mate de
productie toeneemt. (Korting op inkoop door grote hoeveelheden.
Proportioneel progressief: je kosten nemen toe hoe meer je gaat
produceren. (Wanneer het personeel overuren gaat draaien)
Break-evenpoint (BEP): Wanneer je kosten gelijk zijn aan je inkomsten. Je dus op een 0-punt
uitkomt. SOM= Totale kosten (TK) = Totale opbrengsten (TO)
TO = C+V
C/ (P-V)
BEP= Break even point
BEA=Break even afzet (Aantallen) C/ (P-V) Zit er sws in!!!!!!!
Constantekosten/ (prijs- variabele kosten pp)
Dit antwoord is dus in stuks
BEO=Break even omzet (Bedrag, handelsonderneming)
Productieonderneming: (aantallen)
- Er is sprake van een homogeen (hetzelfde) product
- De vaste kosten blijven hetzelfde
- De variabele kosten hangen af van de productie
- Een vaste verkoopprijs
Totale kosten * aantal verkochte producten ([C+V]*Q)
Verkoopprijs * aantal verkochte producten (P*Q) Q=aantal
Bovenstaande moeten beiden op hetzelii8fde uitkomen!
BBE-BEC= Tentamenstof: H 5+6 + salarisadministratie (lesbrief salarissen 1 sept. & Heezen
bedrijfseconomie voor besturenorganisaties) (ca. 10 vragen)
Landelijk tentamen= Meerkeuze, heel boek (H6 niet) + salarisadministratie (50 vragen) 33g =5.5
, Handelsonderneming: (bedrag/ euro’s)
- Er is sprake van een verschillende producten
- De vaste kosten zijn niet hetzelfde
De formule: C / Brutowinst %= - De variabele kosten hangen af van de productie
Omzet: 6 100% - Verschillende verkoopprijzen
IWO: De formule
4 is dan:
66,66% (P*Q) – (V*Q)
Andere formule is: BEP= C / Brutowinst %
Brutowinst: 2 33,33%
of BEP= C / Brutowinst % * 100
Kostprijsberekening: Er zijn 2 doelen bij kostprijsberekening: 1. Een verkoopprijs bedenken
die hoger ligt dan je kosten. 2. Bij een bestaande verkoopprijs door
de markt, of dat deze lagen ligt dan je kosten.
Kostprijs = (Constante kosten bij N / Normale productie) + (Variabele
kosten bij W / werkelijke productie)
Dus: (C / N) = (V / W)
Directe kosten: Kosten waarbij er een direct verband tussen het ontstaan van de
kosten en het product of dienst kan worden vastgesteld.
Alles wat direct aan kosten toebehoord: Voorbeeld Wijn:
- Grondstoffen
- Druiven
- Kurken flessen
- Loon Medewerkers
Indirecte kosten: Kosten waarbij geen direct verband tussen het ontstaan van de
kosten en het product of dienst kan worden vastgelegd of wanneer
dit economisch niet zinvol is.
Dit is altijd een van de onderstaande opslagmethode!
- Loonkosten directeur, secretaresse, marketing
- Catering en beveiliging
Voorbeeld HAN: Directe kosten zijn loon docenten maar indirect van de beveiliging.
Dit wordt beide verrekend in het collegegeld.
Ggg
Constant Constant
Direct Indirect
Variabel Variabel
BBE-BEC= Tentamenstof: H 5+6 + salarisadministratie (lesbrief salarissen 1 sept. & Heezen
bedrijfseconomie voor besturenorganisaties) (ca. 10 vragen)
Landelijk tentamen= Meerkeuze, heel boek (H6 niet) + salarisadministratie (50 vragen) 33g =5.5