INT8 Drama Hanne Gijbels
De student kan inhoudelijke keuzes voor drama activiteiten verantwoorden op basis van
kenmerken van de betreffende leeftijdsgroep en de beginsituatie van zijn stageklas
Dramadoelen bij het jonge kind
o Leren samenwerken, luisteren, kijken
o Leren uiten (non)-verbaal
o Vergroten
- Concentratie
- Zelfstandigheid
- Zelfvertrouwen
- Woordenschat
o Stimuleren fantasie
Spelontwikkeling groep 0-1-2
Spelen nog vooral individueel en naast elkaar i.p.v. samen.
Zijn vooral gericht op non-verbaal spel.
Experimenteren met beweging, stem, mimiek. “Je eet ’n appel (elk fruit kan), hoe eet
je de appel? Hoe smaakt de appel? Hoe kijk je daarbij? Wat doe je met het restje?” Of
je bent een reus. “Hoe loopt de reus? Hoe heet je? Zeg je naam maar met een echte
reuze stem. De reus is boos, hoe kijkt de boze reus?”
Spelen mee met vertelpantomime; de leerkracht vertelt een verhaal, de kinderen
spelen het verhaal mee zonder daarbij te spreken.
Kijken naar of spelen mee met poppenspel; “dit is Jaap, Jaap is even bij ons op
bezoek. We gaan Jaap een rondleiding geven in de klas. Wie kan Jaap vertellen waar
de leeshoek is?”
Doen mee met een leraar in rol-spel “ik ben de kok en jullie zijn mijn hulpjes. Alle
hulpjes helpen mij in de keuken. Jullie mogen mijn eten proeven. Oh wat een lekkere
… Wie wil nog een schepje?”
Imiteren elkaar of de leerkracht “ik bijt in een appel. De appel is zuur. Doe deze
gezichtsmimiek voor. Doe maar mee, pak je appel, de appel is zuur. Je bij in je appel
en...”.
Kunnen goed spiegelen en meedoen; kinderen staan tegenover elkaar en maken
dezelfde bewegingen alsof er een spiegel tussen hen staat.
Kunnen meedoen in leidimprovisaties; iemand maakt een beweging en kinderen
volgen deze beweging.
Kunnen zelfstandig fantaseren of samen met de leerkracht en andere kinderen; “we
zijn op zolder, wat zien we daar allemaal? Rachel, wat zie je? Een spinnenweb? We
halen de spinnenwebben weg. Wat zien we nog meer?”
Kunnen in kleine groepjes spelen aan een verteltafel; op een verteltafel staan
attributen waarmee een verhaal kan worden gespeeld.
Doen zintuigspellen; “voel wat er in de door zit. Wat voel je? Luister waar het geluid
vandaan komt? Wat hoor je? We doen een blinddoek om , wat ruik je of wat proef
je”.
Doen bewegingsspellen op muziek; bijv. tijd, tijd, tikketakke tijd…
De student kan inhoudelijke keuzes voor drama activiteiten verantwoorden op basis van
kenmerken van de betreffende leeftijdsgroep en de beginsituatie van zijn stageklas
Dramadoelen bij het jonge kind
o Leren samenwerken, luisteren, kijken
o Leren uiten (non)-verbaal
o Vergroten
- Concentratie
- Zelfstandigheid
- Zelfvertrouwen
- Woordenschat
o Stimuleren fantasie
Spelontwikkeling groep 0-1-2
Spelen nog vooral individueel en naast elkaar i.p.v. samen.
Zijn vooral gericht op non-verbaal spel.
Experimenteren met beweging, stem, mimiek. “Je eet ’n appel (elk fruit kan), hoe eet
je de appel? Hoe smaakt de appel? Hoe kijk je daarbij? Wat doe je met het restje?” Of
je bent een reus. “Hoe loopt de reus? Hoe heet je? Zeg je naam maar met een echte
reuze stem. De reus is boos, hoe kijkt de boze reus?”
Spelen mee met vertelpantomime; de leerkracht vertelt een verhaal, de kinderen
spelen het verhaal mee zonder daarbij te spreken.
Kijken naar of spelen mee met poppenspel; “dit is Jaap, Jaap is even bij ons op
bezoek. We gaan Jaap een rondleiding geven in de klas. Wie kan Jaap vertellen waar
de leeshoek is?”
Doen mee met een leraar in rol-spel “ik ben de kok en jullie zijn mijn hulpjes. Alle
hulpjes helpen mij in de keuken. Jullie mogen mijn eten proeven. Oh wat een lekkere
… Wie wil nog een schepje?”
Imiteren elkaar of de leerkracht “ik bijt in een appel. De appel is zuur. Doe deze
gezichtsmimiek voor. Doe maar mee, pak je appel, de appel is zuur. Je bij in je appel
en...”.
Kunnen goed spiegelen en meedoen; kinderen staan tegenover elkaar en maken
dezelfde bewegingen alsof er een spiegel tussen hen staat.
Kunnen meedoen in leidimprovisaties; iemand maakt een beweging en kinderen
volgen deze beweging.
Kunnen zelfstandig fantaseren of samen met de leerkracht en andere kinderen; “we
zijn op zolder, wat zien we daar allemaal? Rachel, wat zie je? Een spinnenweb? We
halen de spinnenwebben weg. Wat zien we nog meer?”
Kunnen in kleine groepjes spelen aan een verteltafel; op een verteltafel staan
attributen waarmee een verhaal kan worden gespeeld.
Doen zintuigspellen; “voel wat er in de door zit. Wat voel je? Luister waar het geluid
vandaan komt? Wat hoor je? We doen een blinddoek om , wat ruik je of wat proef
je”.
Doen bewegingsspellen op muziek; bijv. tijd, tijd, tikketakke tijd…