1
Nederlands
(Alles lezen,vanaf hoofdstuk ‘zakelijk schrijven’ goed kennen)
1. Taal en communicatie
1.1 taal is meer dan communicatie
Standaardtaal: de algemene taal die men spreekt in een land zonder de dialecten of tussentalen.
Bij ons is dit AN
Tussentaal: een taal tussen de standaardtaal en het dialect
Dialecten: een talige variant van een standaardtaal
Regiolecten: een variant van een standaardtaal die in bepaalde regio's wordt
gesproken. Vb: West-Vlaams
Stadstalen: de taal die in een bepaalde stad wordt gesproken. Antwerps is
nederlands, maar toch heeft het zijn eigenheid.
Etnolecten: de taal die wordt gevormd/gesproken door mensen met een andere
moedertaal. Zij hebben ook hun eigen accent.
Sociolecten: de taal die wordt gevormd door groepen. Zo praten oudere mensen
anders met elkaar dan jongeren.
De rol van een taal:
- communicatiemiddel
- Sociaal-cultureel middel
- Profilerend middel
- je behoort tot een groep
- Er zijn ‘insiders’ = woorden waarvan het gebruik en de betekenis alleen steek houden als je
tot dezelfde groep behoort.
- Eigen ‘jargon’ = het taalgebruik binnen een vakgebied of een groep mensen, de vaktaal, die
voor buitenstaanders vaak moeilijk te volgen is.
1.2 het nederlands als taal
Spraakmakende gemeente: zij bepalen wat goed gesproken nederlands is. Vb: journalisten,
schrijvers, presentatoren, acteurs, docenten…..
Nederlandse taalunie: zij leggen de officiële spelling/ de groene spelling vast in ‘het groene boekje’ =
de officiële spellinggids van het nederlands. Deze wordt continu aangepast met vb nieuwe woorden
zoals, selfie, swipen, knuffelcontact, tiktok….
1.4 communicatie en communicatiemiddelen
Communicatie is een coöperatieve onderneming, waarin de betrokkene hun bijdrage aanpassen aan
de situatie en de context van communicatie en aan de kennis van de wereld die ze bij de andere
menen te mogen veronderstellen. Het is een interactie tussen personen.
1
, 2
Voorwaarden van goede communicatie:
- dezelfde taal
- Contextuele en situationele verwijzingen
- Dezelfde achtergrondkennis over het onderwerp
Functies van een taal (Roman Jakobson):
- referentieel: de overdracht van informatie over de wereld om ons heen. (Het is gestopt met
regenen)
- Conatief: het veroorzaken van handelingen bij de luisteraar. (Amai de tv staat luid)
- Fatisch: het onderhouden van sociaal contact. (Hoe gaat het?)
- Emotief: het uitdrukken van de gevoelens van de spreker
- Poëtisch: het uitdrukken van de schoonheid van de taal zelf
- Metatalig: het spreken over de taal zelf
Zes basiselementen van het communicatiemodel:
- de zender is de persoon die de boodschap produceert en verstuurt
- De ontvanger is de persoon die de boodschap ontvangt
- De boodschap is de inhoud van de communicatie
- De code verwijst naar de taal van de boodschap
- Het contact verwijst naar het fysieke kanaal en de psychologische koppeling tussen zender
en ontvanger.
- De context verwijst naar de gemeenschappelijke achtergrond en voorkennis van beide
communicatiepartners die nodig is opdat de boodschap op een juiste manier geïnterpreteerd
zal worden
-
De zes aanvullende elementen:
- het medium is het middel waarmee of de wijze waarop de communicatie wordt verstuurd. Vb
telefonisch.
- De bedoeling verwijst naar het doel van de communicatie. Vb informeren
- Ruis verwijst naar storing die de communicatie in het gedrang kan brengen. Vb storend
achtergrondgeluid
- Feedback zorgt ervoor dat communicatie niet eenzijdig is , maar dat er dialoog en interactie
mogelijk is
- Het proces van coderen is het omzetten van mentale concepten in gesproken of geschreven
taal
- Het proces van decoderen is het omzetten van taal in mentale concepten
2
, 3
1.5 soorten communicatie
Externe communicatie: communicatie van bedrijf x naar bedrijf y, zoals prijdaanvraging,
bestellingen..
Interne communicatie: communicatie binnen het bedrijf, de organisatie en de instelling, die niet voor
de buitenwereld bedoeld is, zoals de boekhouding….
Interne/externe communicatie: een mengvorm van beide, zoals een buitenlijn die intern wordt
doorgeschakeld of een externe factuur die in de interne boekhouding wordt opgenomen…
Verbaal: is communicatie met woorden. Dit kan schriftelijk of mondeling zijn.
Non-verbaal: communiceren zonder gebruik te maken van woorden. Vb:
gebarentaal,grafieken,foto’s..
Paraverbale communicatie: de manier waarop je iets zegt/ de manier waarop je de communicatie
overbrengt. Vb roepen, vetgedrukt….
Bij intrapersoonlijke communicatie is de ontvanger gelijk aan de zender. Communicatie die naar
jezelf is gericht. Vb: agenda, notities, dagboek….
Interpersoonlijke communicatie zijn er minstens twee mensen betrokken. De zender kent
doorgaans de ontvanger en verwacht onmiddellijk feedback, zoals bij een vergadering, een
telefoongesprek, leerkracht geeft les aan de klas.
Massacommunicatie houdt in dat de zender een boodschap overbrengt naar een groot aantal
ontvangers, die hij niet noodzakelijk persoonlijk kent, zoals bij reclamespots, een speech voor groot
publiek. De zender weet niet of de boodschap de ontvangers wel bereikt heeft en of ze het gewenste
effect heeft uitgelokt.
Formele communicatie: vorm waarin woorden en woordcombinaties een zakelijk of plechtig karakter
hebben. Je spreekt beleefd/formeel tegen personen die boven je staan. Vb een gesprek met je baas
of directeur
Informele communicatie: vorm waarin woorden en woordcombinaties een niet-zakelijk karakter
hebben. Je spreekt tegen mensen die dicht staan bij je. Vb een gesprek met je vrienden.
Mondelinge communicatie schriftelijke communicatie
direct contact indirect contact
snellere feedback minder snelle feedback
eenmalig: geheugen is harde schijf meermalig: op papier
niet-controleerbaar achteraf controleerbaar bewijs
zender bepaalt: er is luisterdwang ontvanger bepaalt: er is leesvrijheid
3
Nederlands
(Alles lezen,vanaf hoofdstuk ‘zakelijk schrijven’ goed kennen)
1. Taal en communicatie
1.1 taal is meer dan communicatie
Standaardtaal: de algemene taal die men spreekt in een land zonder de dialecten of tussentalen.
Bij ons is dit AN
Tussentaal: een taal tussen de standaardtaal en het dialect
Dialecten: een talige variant van een standaardtaal
Regiolecten: een variant van een standaardtaal die in bepaalde regio's wordt
gesproken. Vb: West-Vlaams
Stadstalen: de taal die in een bepaalde stad wordt gesproken. Antwerps is
nederlands, maar toch heeft het zijn eigenheid.
Etnolecten: de taal die wordt gevormd/gesproken door mensen met een andere
moedertaal. Zij hebben ook hun eigen accent.
Sociolecten: de taal die wordt gevormd door groepen. Zo praten oudere mensen
anders met elkaar dan jongeren.
De rol van een taal:
- communicatiemiddel
- Sociaal-cultureel middel
- Profilerend middel
- je behoort tot een groep
- Er zijn ‘insiders’ = woorden waarvan het gebruik en de betekenis alleen steek houden als je
tot dezelfde groep behoort.
- Eigen ‘jargon’ = het taalgebruik binnen een vakgebied of een groep mensen, de vaktaal, die
voor buitenstaanders vaak moeilijk te volgen is.
1.2 het nederlands als taal
Spraakmakende gemeente: zij bepalen wat goed gesproken nederlands is. Vb: journalisten,
schrijvers, presentatoren, acteurs, docenten…..
Nederlandse taalunie: zij leggen de officiële spelling/ de groene spelling vast in ‘het groene boekje’ =
de officiële spellinggids van het nederlands. Deze wordt continu aangepast met vb nieuwe woorden
zoals, selfie, swipen, knuffelcontact, tiktok….
1.4 communicatie en communicatiemiddelen
Communicatie is een coöperatieve onderneming, waarin de betrokkene hun bijdrage aanpassen aan
de situatie en de context van communicatie en aan de kennis van de wereld die ze bij de andere
menen te mogen veronderstellen. Het is een interactie tussen personen.
1
, 2
Voorwaarden van goede communicatie:
- dezelfde taal
- Contextuele en situationele verwijzingen
- Dezelfde achtergrondkennis over het onderwerp
Functies van een taal (Roman Jakobson):
- referentieel: de overdracht van informatie over de wereld om ons heen. (Het is gestopt met
regenen)
- Conatief: het veroorzaken van handelingen bij de luisteraar. (Amai de tv staat luid)
- Fatisch: het onderhouden van sociaal contact. (Hoe gaat het?)
- Emotief: het uitdrukken van de gevoelens van de spreker
- Poëtisch: het uitdrukken van de schoonheid van de taal zelf
- Metatalig: het spreken over de taal zelf
Zes basiselementen van het communicatiemodel:
- de zender is de persoon die de boodschap produceert en verstuurt
- De ontvanger is de persoon die de boodschap ontvangt
- De boodschap is de inhoud van de communicatie
- De code verwijst naar de taal van de boodschap
- Het contact verwijst naar het fysieke kanaal en de psychologische koppeling tussen zender
en ontvanger.
- De context verwijst naar de gemeenschappelijke achtergrond en voorkennis van beide
communicatiepartners die nodig is opdat de boodschap op een juiste manier geïnterpreteerd
zal worden
-
De zes aanvullende elementen:
- het medium is het middel waarmee of de wijze waarop de communicatie wordt verstuurd. Vb
telefonisch.
- De bedoeling verwijst naar het doel van de communicatie. Vb informeren
- Ruis verwijst naar storing die de communicatie in het gedrang kan brengen. Vb storend
achtergrondgeluid
- Feedback zorgt ervoor dat communicatie niet eenzijdig is , maar dat er dialoog en interactie
mogelijk is
- Het proces van coderen is het omzetten van mentale concepten in gesproken of geschreven
taal
- Het proces van decoderen is het omzetten van taal in mentale concepten
2
, 3
1.5 soorten communicatie
Externe communicatie: communicatie van bedrijf x naar bedrijf y, zoals prijdaanvraging,
bestellingen..
Interne communicatie: communicatie binnen het bedrijf, de organisatie en de instelling, die niet voor
de buitenwereld bedoeld is, zoals de boekhouding….
Interne/externe communicatie: een mengvorm van beide, zoals een buitenlijn die intern wordt
doorgeschakeld of een externe factuur die in de interne boekhouding wordt opgenomen…
Verbaal: is communicatie met woorden. Dit kan schriftelijk of mondeling zijn.
Non-verbaal: communiceren zonder gebruik te maken van woorden. Vb:
gebarentaal,grafieken,foto’s..
Paraverbale communicatie: de manier waarop je iets zegt/ de manier waarop je de communicatie
overbrengt. Vb roepen, vetgedrukt….
Bij intrapersoonlijke communicatie is de ontvanger gelijk aan de zender. Communicatie die naar
jezelf is gericht. Vb: agenda, notities, dagboek….
Interpersoonlijke communicatie zijn er minstens twee mensen betrokken. De zender kent
doorgaans de ontvanger en verwacht onmiddellijk feedback, zoals bij een vergadering, een
telefoongesprek, leerkracht geeft les aan de klas.
Massacommunicatie houdt in dat de zender een boodschap overbrengt naar een groot aantal
ontvangers, die hij niet noodzakelijk persoonlijk kent, zoals bij reclamespots, een speech voor groot
publiek. De zender weet niet of de boodschap de ontvangers wel bereikt heeft en of ze het gewenste
effect heeft uitgelokt.
Formele communicatie: vorm waarin woorden en woordcombinaties een zakelijk of plechtig karakter
hebben. Je spreekt beleefd/formeel tegen personen die boven je staan. Vb een gesprek met je baas
of directeur
Informele communicatie: vorm waarin woorden en woordcombinaties een niet-zakelijk karakter
hebben. Je spreekt tegen mensen die dicht staan bij je. Vb een gesprek met je vrienden.
Mondelinge communicatie schriftelijke communicatie
direct contact indirect contact
snellere feedback minder snelle feedback
eenmalig: geheugen is harde schijf meermalig: op papier
niet-controleerbaar achteraf controleerbaar bewijs
zender bepaalt: er is luisterdwang ontvanger bepaalt: er is leesvrijheid
3