Lactatie (alles staat erin)
Prolactine = synthese
Oxytocine = vrijzetten
Anatomie
Koe 1 gland per tepel, kat en hond meerdere.
Myoepitheelcel = circulaire spier
Tepelcisterne = longitudinale spier
Melk bij koe in de alveolen opgeslagen, geit in uiercisterne.
Veneuze ring tepelbasis = rosette van furstenberg (barriere pathogenen)
Bloedvoorziening
Arterien via inguinaal kanaal gebogen om rekking mogelijk te maken.
Veneuze retour
Inguinaal naar vena cava caudalis (zelfde route)
Subcutaan via melkader naar vena cava cranialis (1/3e)
o Kan blokkerbaar door injectie maar met kans flemitis en thrombusvorming (bij
niet steriel)
Lymfe
Ln. Subiliacus opgezet bij mastitis (supramammaire lymfeknoop). Andere supramammaire :
ischiaricus en inguinalis superficialis.
Bezenuwing
Sympaticus belangrijk voor bloedvloei (productie), niet in klierweefsel en gladde spiercellen
in tepel. Geen parasympatische aanwezig.
Groei en ontwikkeling
Foetaal
1. Ectoderm 2 kammen
2. Melklijsten
3. Melkklierknoppen
4. Vormen tepel met onderliggend vetopstapeling, eerste afvoergangen (volledig door
foetaal prolactine) en alveoli
5. Mannen onderdrukt door androgenen (= foetaal testosteron)
6. Heksenmelk = secretie melk bij geboorte door hormonen moederdier
Maand 1-3 isometrische groei
Maand 3-1 jaar allometrische groei (2-4x sneller) hier competitie vetdepots en secretorisch
epitheel.
, Pubertijd
Door ovariele cycli perioden met hoge oestrogeen en progesteron.
Oestrogeen = afvoergangen groeien en lobuli aan het einde van afvoergangen
Progesteron en prolactine = ontwikkeling en differentiatie alveoli
Groeihormoon en glucocoricoiden = ontwikkeling afvoergangen
Per cyclus beetje groei en een beetje regressie (netto vooruitgang).
Vb lange cyclus zonder dracht teef soms met lactatie door progesteron.
IGF-1 (lever) = mitotisch effect klierweefsel
Thyroxine = belang afvoergangen (in schildklier/thyroid gemaakt, -> T4)
Dracht
1. Allometrische groei = volledige uitbouw alles
2. Eerste helft = Uitbouw voltooid
3. Tweede helft = Differentiatie en productie secreet
Belang steroidhormonen -> opregulatie receptoren.
Oestrogenen stimuleren prolactine vrijstelling in de hypofyse voorkwab
Regulatie prolactine secretie :
Hypothalamus -> dopamine -> dopamine receptoren van prolactine secreterende
cellen -> remt secretie prolactine
o Iatrogeen dus te sturen
o Dopamine agonisten -> lactatie stoppen
o Dopamine antagonisten -> lactatie stimuleren, bv domperidone (ook
antidepressiva)
Placenta -> sommatomammotropine (placenta lactogeen) -> prolactinereceptor uier -
>stimulatie groei en differentiatie
Zuigreflex -> minder dopamine vrijstelling en meer PRL-RH -> prolactinesecretie
Oestrogeen -> prolactinesecretie
Serotonine -> stimulerend
VIP -> stimulerend (vasoactief intetsinaal polypeptide).
Relaxine varkens uit corpus luteum -> afstemming uierontwikkeling op biggen
Permissieve hormonen (elkaar nodig) = insuline, thyroxine, GH en glucocorticoiden.
Tijdens lactatie
Constante turnover mitose en apoptose. Na lactatiepiek meer apoptose dan mitose. Bij
nieuwe dracht zal progesteron door het corpus luteum de lactatie remmen.
Lactatie anoestrus door endorfines.
Einde lactatie/spenen
Tijdens volle lactatie :
Overdruk alveoli en afvoergangen -> pijn en remmen bloedtoevoer
Opstapeling FIL (feedback inhibitor of lactation) -> inhibitie synthese en secretie
Na aantal dagen
Epitheliale cellen in apoptose
Macrofagen en neutrofielen invaderen parenchym en fagocyteren cellen
Prolactine = synthese
Oxytocine = vrijzetten
Anatomie
Koe 1 gland per tepel, kat en hond meerdere.
Myoepitheelcel = circulaire spier
Tepelcisterne = longitudinale spier
Melk bij koe in de alveolen opgeslagen, geit in uiercisterne.
Veneuze ring tepelbasis = rosette van furstenberg (barriere pathogenen)
Bloedvoorziening
Arterien via inguinaal kanaal gebogen om rekking mogelijk te maken.
Veneuze retour
Inguinaal naar vena cava caudalis (zelfde route)
Subcutaan via melkader naar vena cava cranialis (1/3e)
o Kan blokkerbaar door injectie maar met kans flemitis en thrombusvorming (bij
niet steriel)
Lymfe
Ln. Subiliacus opgezet bij mastitis (supramammaire lymfeknoop). Andere supramammaire :
ischiaricus en inguinalis superficialis.
Bezenuwing
Sympaticus belangrijk voor bloedvloei (productie), niet in klierweefsel en gladde spiercellen
in tepel. Geen parasympatische aanwezig.
Groei en ontwikkeling
Foetaal
1. Ectoderm 2 kammen
2. Melklijsten
3. Melkklierknoppen
4. Vormen tepel met onderliggend vetopstapeling, eerste afvoergangen (volledig door
foetaal prolactine) en alveoli
5. Mannen onderdrukt door androgenen (= foetaal testosteron)
6. Heksenmelk = secretie melk bij geboorte door hormonen moederdier
Maand 1-3 isometrische groei
Maand 3-1 jaar allometrische groei (2-4x sneller) hier competitie vetdepots en secretorisch
epitheel.
, Pubertijd
Door ovariele cycli perioden met hoge oestrogeen en progesteron.
Oestrogeen = afvoergangen groeien en lobuli aan het einde van afvoergangen
Progesteron en prolactine = ontwikkeling en differentiatie alveoli
Groeihormoon en glucocoricoiden = ontwikkeling afvoergangen
Per cyclus beetje groei en een beetje regressie (netto vooruitgang).
Vb lange cyclus zonder dracht teef soms met lactatie door progesteron.
IGF-1 (lever) = mitotisch effect klierweefsel
Thyroxine = belang afvoergangen (in schildklier/thyroid gemaakt, -> T4)
Dracht
1. Allometrische groei = volledige uitbouw alles
2. Eerste helft = Uitbouw voltooid
3. Tweede helft = Differentiatie en productie secreet
Belang steroidhormonen -> opregulatie receptoren.
Oestrogenen stimuleren prolactine vrijstelling in de hypofyse voorkwab
Regulatie prolactine secretie :
Hypothalamus -> dopamine -> dopamine receptoren van prolactine secreterende
cellen -> remt secretie prolactine
o Iatrogeen dus te sturen
o Dopamine agonisten -> lactatie stoppen
o Dopamine antagonisten -> lactatie stimuleren, bv domperidone (ook
antidepressiva)
Placenta -> sommatomammotropine (placenta lactogeen) -> prolactinereceptor uier -
>stimulatie groei en differentiatie
Zuigreflex -> minder dopamine vrijstelling en meer PRL-RH -> prolactinesecretie
Oestrogeen -> prolactinesecretie
Serotonine -> stimulerend
VIP -> stimulerend (vasoactief intetsinaal polypeptide).
Relaxine varkens uit corpus luteum -> afstemming uierontwikkeling op biggen
Permissieve hormonen (elkaar nodig) = insuline, thyroxine, GH en glucocorticoiden.
Tijdens lactatie
Constante turnover mitose en apoptose. Na lactatiepiek meer apoptose dan mitose. Bij
nieuwe dracht zal progesteron door het corpus luteum de lactatie remmen.
Lactatie anoestrus door endorfines.
Einde lactatie/spenen
Tijdens volle lactatie :
Overdruk alveoli en afvoergangen -> pijn en remmen bloedtoevoer
Opstapeling FIL (feedback inhibitor of lactation) -> inhibitie synthese en secretie
Na aantal dagen
Epitheliale cellen in apoptose
Macrofagen en neutrofielen invaderen parenchym en fagocyteren cellen