Hoofdstuk 1 : Wat is plantenbiologie?
1. Diversiteit van plantenstudies
Plantenanatomie = studie die zich bezighoudt met interne structuren en opbouw van
planten
wetenschappelijke pioniers : Malpighi (weefsels van stengels en wortels) & Grew
(structuur van hout)
wordt gebruikt in dendrochronologie (klimaat uit verleden samenstellen met bv
jaarringen), forensische toepassing & paleobotanie (studie plantenfossielen)
Plantenfysiologie = studie die zich bezighoudt met de functies van planten
Taxonomie beschrijft, benoemt en classificeert organismen
Systematiek iets breder = ook de manieren onderzoeken om planten in groepen te
verdelen
Plantengeografie = studie bestudeert hoe en waarom planten over de hele wereld
verspreid zijn
Plantenecologie = onderzoekt hoe planten met elkaar en de omgeving interageren
Plantenmorfologie = studie van vorm en functie van planten
Plantengenetica = erfelijkheid tussen planten ( mendel) (genetische engineering –
manipuleren)
Celbiologie = studie die zich bezighoudt met celstructuur en functie
Economische plantkunde en ethnobotanie = praktische gebruik van planten en
plantaardige producten (medicinale eigenschappen, katoen,…)
2. Plantennamen en classificatie
nood aan een uniforme nomenclatuur
Eerst beschrijvende Latijnse zinnetjes (soms 3-4 regels) LINNAEUS : classificatie volgens
genera Veranderde Latijnse zinnetjes door verwantschappen : maximum 12 woorden en
afkorting tot 2 delen
binomiale systeem van de nomenclatuur (bv : Mentha spicata L.)
3. Koninkrijk-concept
, Hoofdstuk 2 : Protisten
divers & heterogeen , geen van hen heeft combinatie van eigenschappen die typisch zijn voor
laden van de fungi, planten of dieren, zowel ééncellig als meercellig, diverse voedselopname , …
1. Phylum Chlorophyta – groenwieren
Chllorella, volvox, uvla/zeesla , …
7500 soorten vss uitzichtsvormen
vss groottes : bv Micromonias = 1 µm
Chlorofyl a en b zoals hogere planten
Schroefwier elke cel bevat één of meerdere chloroplasten die als een spiraal rondom een
onzichtbare vacuole geweven is (zijn).
2. Phylum Chromophyta – geel-groenwieren, goud-bruinwieren,
diatomeeën en bruinwieren
a) Xanthophyceae – geel-groenwieren
Meestal zoetwaterorganismen, met enkele zeebewoners
Fucoxanthin : bruinachtig pigment dat deze groep niet heeft en andere wel
b) Chrysophyceae – goud-bruinwieren
Plankton in water
c) Bacillariophyceae – diatomeeën
Best bekend en economisch meest interessant
Lijken op glaze doosjes met twee deksels die elkaar half overlappen, in de wanden kleine
groeven en poriën
Bezitten: - chlorofyl a,c1 & c2
- fucoxanthin : hierdoor chloroplasten bruinige kleur
d) Phaeophyceae - bruinwieren
Bv kelp : vormt draden in water , somt tot meer dan 270m lang (record)
Algine/alginezuur = tot 40% van de wandmassa commercieel gebruikt (alginaten in
compressie, bij orthodont voor afdruk gebit) (kelp bevat interessante ionen/stoffen)
3. Phylum Rhodophyta – roodwieren
Aanwezigheid phycobilines pigmenten die zorgen voor rode tot paarsige kleur
Sommige roodwieren zoals Gelidium produceren agar (standaarbodems voor in vivo cultuur)
Andere vb :
4. Phylum Euglenophyta
Beweeglijke ééncellige groenwieren
5. Phylum Dinophyta – dinoflagellaten
Roodachtige schijn op water (neurotoxines) : dinoflagellaten
chlorofyl a, c2 en xanthofyl