Anatomie en fysiologie:
Wat is anatomie?
Anatomie
= ontleding, beschrijving organen en stelsels, ligging, uitzicht, onderdelen en
benamingen.
-tomie= snijden
-ec= weg
Fysiologie (= temperatuurregulatie en shock)
= werking organen/ regelfuncties (automatische reacties lichaam)
Fysiologisch: normale werking
Pathologisch: ziekte of afwijkingen
Histologie
=weefselleer (vb: epitheel = dekweefsel)
Histologisch onderzoek, biopsie
Cytologie = celleer
Biochemie (zuur-base evenwicht en verstoringen)
= chemische processen in levende cel -> metabolisme en stofwisseling
Elementair en toegespitst op:
Energiewinning in cel
Belang van O²
Zuur-base evenwicht en verstoringen
Chemie
Farmacologie
= geneesmiddelenleer
Pathologie
Wat houdt iemand in leven?
In cel: verbranding glucose door O²= energie
- Spijsverteringsstelsel zorgt voor glucose
- Ademhalingsstelsel zorgt voor O²
- Cardiovasculair stelsel zorgt ervoor dat moleculen tot in cel geraken
- Cellen: constant milieu -> taak van nieren
Klinisch redeneren= logisch redeneren
Metabolisme of stofwisseling:
Gebeurt in cellen
Katabolisme (afbraak)
, - Glucose + O² -> H²O + CO²+ energie (=doel)
- Energie= ATP+ warmte (temperatuur pijl houden)
Anabolisme (opbouw)
- Met energie uit ATP moleculen
- (ATP -> ADP) complexe moleculen opbouwen
Functiesystemen:
Stofwisseling vind plaats in cellen -> weefsel -> organen -> functiesystemen of stelsels.
Cellen bevinden zich in tussencelvocht= intercellulair vocht= interstitieel vocht= milieu
intern -> doel: metabolieten (stofwisselingsproducten) opnemen en afvalstoffen afgeven.
1. Circulatiestelsel= cardiovasculair stelsel:
Tussenvocht, zelf metabolieten opnemen en afvalstoffen afgeven door:
Buizenstelsel: bloedvaten
Pomp: hart
Circulerende vloeistof: bloed
Alternatief systeem van afvoer: lymfestelsel
2. Spijsverteringsstelsel:
Bloed moet voedingsstoffen halen uit buitenwereld (milieu exterieur) door;
Inname voedsel -> verteren: afbreken tot bouwstenen door externe secreties (sap
makende klieren) -> resorberen: opnemen in bloed (inwendig milieu) -> eerste
metabole omzettingen
Alles wat word opgenomen in bloed -> EERST langs lever
3. Urinewegstelsel= excretiestelsel (uitscheiden naar buiten)
Bloed ontdaan worden: afvalstoffen -> afvalstoffen en H²O worden naar buitenwereld
afgevoerd.
4. Ademhalingsstelsel:
Bloed: voorzien worden O² en zuiveren van CO² (na afbraak glucose door uitademing)
5. Huid:
Afgrenzing organisme tegenover buitenwereld
Integratie:
= afstemmen van werking van letsels op elkaar -> één geheel
Vegetatieve integratie:
Autonome werking organen (niet door wil)
Vegetatieve functies: vorige 5 functiesystemen ten diensten van levensonderhoud van
cellen.
->moeten geïntegreerd worden= vegetatieve integratie:
Input informatie= vegetatieve sensoriek (voedsel in maag= werken)
Output informatie= vegetatieve motoriek (reactie van maag)
DOOR: hormoonstelsel en zenuwstelsel (vegetatief gedeelte)
, 6. Hormoonstelsel:
Chemische regelstoffen, gemaakt door gespecialiseerde cellen -> via: circulatiestelsel
naar cellen.
Hormoon= stof die door endocriene klieren word afgescheiden, rechtstreeks in bloed
(endo= binnen -> bloed crien= afscheiding)
7. Zenuwstelsel: vegetatief gedeelte:
Animale integratie:
= willekeurig/ onder controle van wil
Functie: actieve interactie tussen organisme en omgeving ervan:
Input informatie: animale gedeelte -> sensorisch systeem (weg oversteken ->
ziet auto)
Output informatie: animale deel -> zenuwstelsel initieert activiteit van motorisch
systeem (auto zien -> stap achteren zetten)
8. Sensorische systeem:
Informatie over omringde wereld (zintuigen, gewaarwordingen)
9. Motorische systeem:
Animale deel -> zenuwstelsel initieert activiteit van motorisch systeem (beenderen,
spieren en gewrichten)
10. Voortplantingsstelsel:
= handhaving van de soort
Topografie:
= beschrijving van plaats van organen in menselijke lichaam
(topo= plaats)
Sagittaal, frontaal en transversaal of dwars
Topografische begrippen:
Anatomische positie: palmair: handpalm voren
Ventraal (anterior): buikzijde
Dorsaal (posterior): rugzijde
Mediaal: dicht tegen buik (midden)
Lateraal: meer naar buiten kant
Craniaal en caudaal (hoofd en voeten) = boven of onder elkaar
Proximaal (dicht bij aanhechting)
Distaal (ver van aanhechting)
Superior (boven) en inferior (onder)
Spijsverteringsstelsel:
Belangrijke functies maag en darm stelsel:
Peristaltische bewegingen: mechanisch verder bewegen -> onwillekeurige,
ritmische samentrekking en ontspannen spieren in wand
, Secretie van verteringssappen: enzymen in sappen verteren voedingsstoffen tot
resorbeerbare moleculen= substraten voor stofwisseling
Resorberen (opnemen): opname substraten in bloed
Endocriene zelfregulatie: hormonen -> zorgen dat werking goed op elkaar is
afgestemd
Opmerking: verschil enzym en hormoon:
Naar darminhoud: buitenwereld: enzymen in sappen -> VERTEREN
voedingsstoffen
- Secretie: afscheiding
- Excretie: uitscheiding
- Enzym: eiwit dat omzetting stoffen mogelijk maakt
Naar bloed, via tussencelvocht naar cellen: hormonen -> RESORBEREN
- Endocretie: hormonen rechtstreeks in bloed afgeven
Voedingsstoffen: te verteren bestanddelen:
Energiebronnen:
Koolhydraten -> bouwsteen: glucose
Vetten -> bouwsteen: vetzuren
Bouwstenen:
Eiwitten -> bouwsteen: aminozuren
Mineralen
H²O
Vitamines
Spijsverteringskanaal:
= gastro-intestinaal stelsel of maag- en darmstelsel
Ligging: deel thoracaal (borstkas) en deel
abdominaal (buik) + scheiding= diafragma
Algemene bouw: binnen -> buiten:
Mucosa= slijmvlies:
- Slijm producerende cellen
- Klieren
- Muscularis mucosae (spierlaag)
Submucosa: bloedvaten, lymfevaten,
zenuwen
Muscularis
- Circulaire spierlaag
- Longitudinale spierlaag
Serosa (vlies over organen)
= visceraal blad van peritoneum
!! schema maag en darmstelsel!!
Lever, pancreas en galafvoerwegen:
!! schema lever en galafvoerwegen!!
Wat is anatomie?
Anatomie
= ontleding, beschrijving organen en stelsels, ligging, uitzicht, onderdelen en
benamingen.
-tomie= snijden
-ec= weg
Fysiologie (= temperatuurregulatie en shock)
= werking organen/ regelfuncties (automatische reacties lichaam)
Fysiologisch: normale werking
Pathologisch: ziekte of afwijkingen
Histologie
=weefselleer (vb: epitheel = dekweefsel)
Histologisch onderzoek, biopsie
Cytologie = celleer
Biochemie (zuur-base evenwicht en verstoringen)
= chemische processen in levende cel -> metabolisme en stofwisseling
Elementair en toegespitst op:
Energiewinning in cel
Belang van O²
Zuur-base evenwicht en verstoringen
Chemie
Farmacologie
= geneesmiddelenleer
Pathologie
Wat houdt iemand in leven?
In cel: verbranding glucose door O²= energie
- Spijsverteringsstelsel zorgt voor glucose
- Ademhalingsstelsel zorgt voor O²
- Cardiovasculair stelsel zorgt ervoor dat moleculen tot in cel geraken
- Cellen: constant milieu -> taak van nieren
Klinisch redeneren= logisch redeneren
Metabolisme of stofwisseling:
Gebeurt in cellen
Katabolisme (afbraak)
, - Glucose + O² -> H²O + CO²+ energie (=doel)
- Energie= ATP+ warmte (temperatuur pijl houden)
Anabolisme (opbouw)
- Met energie uit ATP moleculen
- (ATP -> ADP) complexe moleculen opbouwen
Functiesystemen:
Stofwisseling vind plaats in cellen -> weefsel -> organen -> functiesystemen of stelsels.
Cellen bevinden zich in tussencelvocht= intercellulair vocht= interstitieel vocht= milieu
intern -> doel: metabolieten (stofwisselingsproducten) opnemen en afvalstoffen afgeven.
1. Circulatiestelsel= cardiovasculair stelsel:
Tussenvocht, zelf metabolieten opnemen en afvalstoffen afgeven door:
Buizenstelsel: bloedvaten
Pomp: hart
Circulerende vloeistof: bloed
Alternatief systeem van afvoer: lymfestelsel
2. Spijsverteringsstelsel:
Bloed moet voedingsstoffen halen uit buitenwereld (milieu exterieur) door;
Inname voedsel -> verteren: afbreken tot bouwstenen door externe secreties (sap
makende klieren) -> resorberen: opnemen in bloed (inwendig milieu) -> eerste
metabole omzettingen
Alles wat word opgenomen in bloed -> EERST langs lever
3. Urinewegstelsel= excretiestelsel (uitscheiden naar buiten)
Bloed ontdaan worden: afvalstoffen -> afvalstoffen en H²O worden naar buitenwereld
afgevoerd.
4. Ademhalingsstelsel:
Bloed: voorzien worden O² en zuiveren van CO² (na afbraak glucose door uitademing)
5. Huid:
Afgrenzing organisme tegenover buitenwereld
Integratie:
= afstemmen van werking van letsels op elkaar -> één geheel
Vegetatieve integratie:
Autonome werking organen (niet door wil)
Vegetatieve functies: vorige 5 functiesystemen ten diensten van levensonderhoud van
cellen.
->moeten geïntegreerd worden= vegetatieve integratie:
Input informatie= vegetatieve sensoriek (voedsel in maag= werken)
Output informatie= vegetatieve motoriek (reactie van maag)
DOOR: hormoonstelsel en zenuwstelsel (vegetatief gedeelte)
, 6. Hormoonstelsel:
Chemische regelstoffen, gemaakt door gespecialiseerde cellen -> via: circulatiestelsel
naar cellen.
Hormoon= stof die door endocriene klieren word afgescheiden, rechtstreeks in bloed
(endo= binnen -> bloed crien= afscheiding)
7. Zenuwstelsel: vegetatief gedeelte:
Animale integratie:
= willekeurig/ onder controle van wil
Functie: actieve interactie tussen organisme en omgeving ervan:
Input informatie: animale gedeelte -> sensorisch systeem (weg oversteken ->
ziet auto)
Output informatie: animale deel -> zenuwstelsel initieert activiteit van motorisch
systeem (auto zien -> stap achteren zetten)
8. Sensorische systeem:
Informatie over omringde wereld (zintuigen, gewaarwordingen)
9. Motorische systeem:
Animale deel -> zenuwstelsel initieert activiteit van motorisch systeem (beenderen,
spieren en gewrichten)
10. Voortplantingsstelsel:
= handhaving van de soort
Topografie:
= beschrijving van plaats van organen in menselijke lichaam
(topo= plaats)
Sagittaal, frontaal en transversaal of dwars
Topografische begrippen:
Anatomische positie: palmair: handpalm voren
Ventraal (anterior): buikzijde
Dorsaal (posterior): rugzijde
Mediaal: dicht tegen buik (midden)
Lateraal: meer naar buiten kant
Craniaal en caudaal (hoofd en voeten) = boven of onder elkaar
Proximaal (dicht bij aanhechting)
Distaal (ver van aanhechting)
Superior (boven) en inferior (onder)
Spijsverteringsstelsel:
Belangrijke functies maag en darm stelsel:
Peristaltische bewegingen: mechanisch verder bewegen -> onwillekeurige,
ritmische samentrekking en ontspannen spieren in wand
, Secretie van verteringssappen: enzymen in sappen verteren voedingsstoffen tot
resorbeerbare moleculen= substraten voor stofwisseling
Resorberen (opnemen): opname substraten in bloed
Endocriene zelfregulatie: hormonen -> zorgen dat werking goed op elkaar is
afgestemd
Opmerking: verschil enzym en hormoon:
Naar darminhoud: buitenwereld: enzymen in sappen -> VERTEREN
voedingsstoffen
- Secretie: afscheiding
- Excretie: uitscheiding
- Enzym: eiwit dat omzetting stoffen mogelijk maakt
Naar bloed, via tussencelvocht naar cellen: hormonen -> RESORBEREN
- Endocretie: hormonen rechtstreeks in bloed afgeven
Voedingsstoffen: te verteren bestanddelen:
Energiebronnen:
Koolhydraten -> bouwsteen: glucose
Vetten -> bouwsteen: vetzuren
Bouwstenen:
Eiwitten -> bouwsteen: aminozuren
Mineralen
H²O
Vitamines
Spijsverteringskanaal:
= gastro-intestinaal stelsel of maag- en darmstelsel
Ligging: deel thoracaal (borstkas) en deel
abdominaal (buik) + scheiding= diafragma
Algemene bouw: binnen -> buiten:
Mucosa= slijmvlies:
- Slijm producerende cellen
- Klieren
- Muscularis mucosae (spierlaag)
Submucosa: bloedvaten, lymfevaten,
zenuwen
Muscularis
- Circulaire spierlaag
- Longitudinale spierlaag
Serosa (vlies over organen)
= visceraal blad van peritoneum
!! schema maag en darmstelsel!!
Lever, pancreas en galafvoerwegen:
!! schema lever en galafvoerwegen!!