Nederlands H1 t/m H4
H1.
Onderwerp = met een paar woorden zeggen waar een tekst over gaat
Oriënterend lezen = tekst bekijken en eerste alinea lezen
Deelonderwerpen = verschillende aspecten (delen) van het onderwerp in het
middenstuk.
Voorbeeld:
Nieuwsmedia
- televisie
- radio
- internet
Globaal lezen = je leest de eerste en laatste zinnen van alle alinea’s
Hoofdgedachte = een volledige zin die samenvat wat er in de tekst over het
onderwerp wordt gezegd.
Voorbeeld:
Ruimtereizen → Met ruimtereizen zal in de toekomst veel verdiend worden.
Precies lezen = Je leest de tekst goed van de eerste tot de laatste zin.
H2.
Hoofdzaken = de belangrijkste informatie in een tekst.
Bijzaken = minder belangrijk
Voorkeursplaatsen = daar vind je vaak de hoofdzaken (inleiding/slot van een tekst)
Kernzin = de hoofdzaak van een alinea (meestal eerste zin van de alinea)
Samenvatting= belangrijkste informatie van een tekst
H1.
Onderwerp = met een paar woorden zeggen waar een tekst over gaat
Oriënterend lezen = tekst bekijken en eerste alinea lezen
Deelonderwerpen = verschillende aspecten (delen) van het onderwerp in het
middenstuk.
Voorbeeld:
Nieuwsmedia
- televisie
- radio
- internet
Globaal lezen = je leest de eerste en laatste zinnen van alle alinea’s
Hoofdgedachte = een volledige zin die samenvat wat er in de tekst over het
onderwerp wordt gezegd.
Voorbeeld:
Ruimtereizen → Met ruimtereizen zal in de toekomst veel verdiend worden.
Precies lezen = Je leest de tekst goed van de eerste tot de laatste zin.
H2.
Hoofdzaken = de belangrijkste informatie in een tekst.
Bijzaken = minder belangrijk
Voorkeursplaatsen = daar vind je vaak de hoofdzaken (inleiding/slot van een tekst)
Kernzin = de hoofdzaak van een alinea (meestal eerste zin van de alinea)
Samenvatting= belangrijkste informatie van een tekst