Lot = het geheel waaruit het monster (waarop analyse moet gebeuren) wordt genomen
Bulkmonster = representatief deel van het lot voor analyse (of bewaring als referentie)
Laboratoriummonster = homogeen, bulkmonster na voorbehandeling
Aliquot = kleine testhoeveelheid van het monster waarop de individuele analyses worden uitgevoerd
Oplossing = homogeen mengsel van 2 of meer bestanddelen (mengsel: datgene wat opgelost is,
bestanddelen: solvent of oplosmiddel)
Molariteit (cM of M) = aantal mol opgeloste stof per liter oplossing
Elektroliet = een substantie die in oplossing dissocieert in ionen
zwak elektroliet: grootste deel niet gedissocieerd
sterk elektroliet: grotendeels gedissocieerd in water
Molaliteit (m) = aantal mol stof per kg solvent (onafhankelijk van temperatuur)
Anhydrisch = zonder H2O
Dihydraat = x . 2 H2O
Trihydraat = x . 3 H2O
Tetrahydraat = x . 4 H2O (enzovoort penta, hexa, hepta, octa, nona en deca)
Gravimetrische bepaling = analyse gebaseerd op het wegen van een eindproduct
GHS-statements = wijze van indeling, kenmerking en etikettering van chemische stoffen
Buoyancy = drijfvermogen, i.v.m balans best te vertalen als opwaartse kracht
Buret = zeer nauwkeurig gefabriceerde glazen buis met verdeling erop die toelaten om het volume
(afgeleverd via stopkraan onderaan) af te lezen
Parallaxfout = bij aflezen niveau buret, oog te hoog of te laag waardoor oog niet op dezelfde hoogte
is als de meniscus
Maatkolf = recipiënt gekalibreerd om een bepaald volume te bevatten bij 20 graden wanneer de
onderkant van de meniscus overeenstemt met het midden van de maatstreep op de hals van de kolf
(temp. is relevant; vloeistof en maatkolf zetten uit bij verwarming)
Adsorptie = ‘aan de wand blijven kleven’
Absorptie = inwendig opnemen
Microliterspuit = “hamiltonspuit”, volume van 1 µl met verdelingen van 0,01 µl, stalen naald wordt
aangetast door sterke zuren, kan sterk zure oplossingen met ijzer contamineren
Gravimetrische analyse = massa van reactieproduct bepalen om na te gaan hoeveel van het
oorspronkelijke product aanwezig was
Variatiecoëfficiënt = relatieve standaarddeviatie, procentuele waarde inschatting hoe goed
experiment
Autoprotolyse = zelfionisatie; een proces dat water ondergaat, waarin het zich verdoet als een zuur
en een base
Polyprotische zuren en basen = verbindingen die meer dan één proton kunnen doneren of
accepteren
Indicator = stof waarvan een fysische eigenschap verandert bij het equivalentiepunt
Volumetrische analyse = procedure waarbij nauwkeurig het volume wordt gemeten dat met het
analiet reageert
Blanco titratie = titratie zonder analiet
Anion = ion dat in verhouding meer omgeven is door kationen (negatief geladen)
Kation = ion dat in verhouding meer omgeven is door anionen (positief geladen)
Ionische sterkte = maat voor totale ionenconcentratie in oplossing
Buffer = mengsel van een (zwak) zuur en zijn geconjugeerde base of (zwakke) base met zijn
geconjugeerd zuur
Buffercapaciteit = maat voor de weerstand van een bufferoplossing aan pH-veranderingen wanneer
sterk zuur of base wordt toegevoegd
Polyprotische systemen = meer dan één proton uitwisselen
Diprotische systemen = met 2 zure en/of basische functies
Amfiprotisch = molecule dat zowel een proton kan geven als ontvangen
Bulkmonster = representatief deel van het lot voor analyse (of bewaring als referentie)
Laboratoriummonster = homogeen, bulkmonster na voorbehandeling
Aliquot = kleine testhoeveelheid van het monster waarop de individuele analyses worden uitgevoerd
Oplossing = homogeen mengsel van 2 of meer bestanddelen (mengsel: datgene wat opgelost is,
bestanddelen: solvent of oplosmiddel)
Molariteit (cM of M) = aantal mol opgeloste stof per liter oplossing
Elektroliet = een substantie die in oplossing dissocieert in ionen
zwak elektroliet: grootste deel niet gedissocieerd
sterk elektroliet: grotendeels gedissocieerd in water
Molaliteit (m) = aantal mol stof per kg solvent (onafhankelijk van temperatuur)
Anhydrisch = zonder H2O
Dihydraat = x . 2 H2O
Trihydraat = x . 3 H2O
Tetrahydraat = x . 4 H2O (enzovoort penta, hexa, hepta, octa, nona en deca)
Gravimetrische bepaling = analyse gebaseerd op het wegen van een eindproduct
GHS-statements = wijze van indeling, kenmerking en etikettering van chemische stoffen
Buoyancy = drijfvermogen, i.v.m balans best te vertalen als opwaartse kracht
Buret = zeer nauwkeurig gefabriceerde glazen buis met verdeling erop die toelaten om het volume
(afgeleverd via stopkraan onderaan) af te lezen
Parallaxfout = bij aflezen niveau buret, oog te hoog of te laag waardoor oog niet op dezelfde hoogte
is als de meniscus
Maatkolf = recipiënt gekalibreerd om een bepaald volume te bevatten bij 20 graden wanneer de
onderkant van de meniscus overeenstemt met het midden van de maatstreep op de hals van de kolf
(temp. is relevant; vloeistof en maatkolf zetten uit bij verwarming)
Adsorptie = ‘aan de wand blijven kleven’
Absorptie = inwendig opnemen
Microliterspuit = “hamiltonspuit”, volume van 1 µl met verdelingen van 0,01 µl, stalen naald wordt
aangetast door sterke zuren, kan sterk zure oplossingen met ijzer contamineren
Gravimetrische analyse = massa van reactieproduct bepalen om na te gaan hoeveel van het
oorspronkelijke product aanwezig was
Variatiecoëfficiënt = relatieve standaarddeviatie, procentuele waarde inschatting hoe goed
experiment
Autoprotolyse = zelfionisatie; een proces dat water ondergaat, waarin het zich verdoet als een zuur
en een base
Polyprotische zuren en basen = verbindingen die meer dan één proton kunnen doneren of
accepteren
Indicator = stof waarvan een fysische eigenschap verandert bij het equivalentiepunt
Volumetrische analyse = procedure waarbij nauwkeurig het volume wordt gemeten dat met het
analiet reageert
Blanco titratie = titratie zonder analiet
Anion = ion dat in verhouding meer omgeven is door kationen (negatief geladen)
Kation = ion dat in verhouding meer omgeven is door anionen (positief geladen)
Ionische sterkte = maat voor totale ionenconcentratie in oplossing
Buffer = mengsel van een (zwak) zuur en zijn geconjugeerde base of (zwakke) base met zijn
geconjugeerd zuur
Buffercapaciteit = maat voor de weerstand van een bufferoplossing aan pH-veranderingen wanneer
sterk zuur of base wordt toegevoegd
Polyprotische systemen = meer dan één proton uitwisselen
Diprotische systemen = met 2 zure en/of basische functies
Amfiprotisch = molecule dat zowel een proton kan geven als ontvangen