Begrippenlijst KOM
Tentamen 1
College 1A
Empirisch: gebaseerd op systematische waarnemingen.
Controleerbaar: anderen moeten de theorie of het onderzoek
kunnen nachecken.
Theorie: geheel van denkbeelden, hypothesen en verklaringen die
in onderlinge samenhang worden beschreven. In de wetenschap is
een theorie een getoetst model ter verklaring van waarnemingen
van de werkelijkheid.”
Probabilistisch: het is onmogelijk om de absolute waarheid te
kennen. De waarheid kan alleen benaderd worden door het
ontwikkelen en ontdekken van kennis. Binnen een onderzoek moet
men weer onderzoeken.
Falsifieerbaar: mogelijkheid om theorie te weerleggen.
Spaarzaam: parsimonious, beknopt mogelijk houden, maar wel zo
simpel mogelijk.
Fundamenteel: basic, kennis van academici. Bijv. “Worden
jongeren narcistisch van het gebruik van social media”.
Toegepast: applied, praktijk gericht. Kan vaak een vraag zijn van
mensen in de praktijk.
College 2A
Sociale fenomenen: sociale evenementen die plaats vinden.
Begrijpen uit natuurlijke context, dus in natuurlijke omgeving.
Respondent: de deelnemer aan een onderzoek waar informatie van
wordt verzameld
Inductie: van een paar observaties naar algemeenheden zoeken
die een nieuwe theorie kunnen vormen of bestaande theorieën
aanpassen
SPI(C)E:
Setting: waar, in welke context?
Perspective: voor wie?
Interest: wat?
Comparison: vergeleken met wat?
Evaluation: met welk resultaat?
Doelgerichte steekproef: de onderzoeker gaat opzoek naar
specifieke individuen met diverse meningen, ervaringen,
gedragingen, etc.
, Transcript: het uitgetypte gesprek of observatie die een
onderzoeker heeft gedaan.
Field notes: aantekeningen die de onderzoeker maakt tijdens het
observeren in de omgeving waar informatie te vinden is over de
onderzoeksvraag.
Analyseren: het observeren van een zaak
Betrouwbaarheid: geeft aan hoe consistent een meting is, of
andere onderzoekers op hetzelfde resultaat uit zouden komen.
Validiteit: geeft aan hoe waarheidsgetrouw en accuraat een meting
is, of het echt meet wat de bedoeling is.
Anonimiteit: het verbergen van de indentiteit van de deelnemer of
respondent.
Vertrouwelijk: de participanten moeten de onderzoekers kunnen
vertrouwen, alleen dan kan de onderzoeker de juiste informatie
verkrijgen van de participanten.
College 2B
Subjecten: de personen die je onderzoekt om informatie te
verkrijgen voor je onderzoek. Dit kunnen ook boeken, bedrijven of
televisieseries zijn.
Anoniem onderzoek: bij dataverzameling worden geen
persoonsgegevens verzameld. Identiteit blijft anoniem.
Vertrouwelijk onderzoek: onderzoekers hebben wel persoonlijke
informatie verzameld voor het onderzoek, maar deze worden niet
bekend gemaakt.
Informed consent: Deelnemer wordt vooraf geïnformeerd over het
onderzoek, welke gegevens wel en niet worden verzameld, en
mogelijke risico’s en/of voordelen er zijn bij deelname.
College 3A
Observatie: het waarnemen en registeren van gedragingen,
gebeurtenissen en interacties.
Participerend: onderzoeker is lid van de groep die onderzocht
wordt.
Niet-participerend: onderzoeker gaat van buitenaf onderzoeken
en observeren
Verhuld: de mensen die zich in dezelfde omgeving bevinden waar
de onderzoeker onderzoek doet, weten niet dat de onderzoeker
zichzelf is.
Onverhuld: er wordt aangekondigd dat er een onderzoeker
aanwezig is in de omgeving om mensen te observeren.
Systematisch: de onderzoeker gaat opzoek naar bepaalde
kenmerken of bedragingen.
Tentamen 1
College 1A
Empirisch: gebaseerd op systematische waarnemingen.
Controleerbaar: anderen moeten de theorie of het onderzoek
kunnen nachecken.
Theorie: geheel van denkbeelden, hypothesen en verklaringen die
in onderlinge samenhang worden beschreven. In de wetenschap is
een theorie een getoetst model ter verklaring van waarnemingen
van de werkelijkheid.”
Probabilistisch: het is onmogelijk om de absolute waarheid te
kennen. De waarheid kan alleen benaderd worden door het
ontwikkelen en ontdekken van kennis. Binnen een onderzoek moet
men weer onderzoeken.
Falsifieerbaar: mogelijkheid om theorie te weerleggen.
Spaarzaam: parsimonious, beknopt mogelijk houden, maar wel zo
simpel mogelijk.
Fundamenteel: basic, kennis van academici. Bijv. “Worden
jongeren narcistisch van het gebruik van social media”.
Toegepast: applied, praktijk gericht. Kan vaak een vraag zijn van
mensen in de praktijk.
College 2A
Sociale fenomenen: sociale evenementen die plaats vinden.
Begrijpen uit natuurlijke context, dus in natuurlijke omgeving.
Respondent: de deelnemer aan een onderzoek waar informatie van
wordt verzameld
Inductie: van een paar observaties naar algemeenheden zoeken
die een nieuwe theorie kunnen vormen of bestaande theorieën
aanpassen
SPI(C)E:
Setting: waar, in welke context?
Perspective: voor wie?
Interest: wat?
Comparison: vergeleken met wat?
Evaluation: met welk resultaat?
Doelgerichte steekproef: de onderzoeker gaat opzoek naar
specifieke individuen met diverse meningen, ervaringen,
gedragingen, etc.
, Transcript: het uitgetypte gesprek of observatie die een
onderzoeker heeft gedaan.
Field notes: aantekeningen die de onderzoeker maakt tijdens het
observeren in de omgeving waar informatie te vinden is over de
onderzoeksvraag.
Analyseren: het observeren van een zaak
Betrouwbaarheid: geeft aan hoe consistent een meting is, of
andere onderzoekers op hetzelfde resultaat uit zouden komen.
Validiteit: geeft aan hoe waarheidsgetrouw en accuraat een meting
is, of het echt meet wat de bedoeling is.
Anonimiteit: het verbergen van de indentiteit van de deelnemer of
respondent.
Vertrouwelijk: de participanten moeten de onderzoekers kunnen
vertrouwen, alleen dan kan de onderzoeker de juiste informatie
verkrijgen van de participanten.
College 2B
Subjecten: de personen die je onderzoekt om informatie te
verkrijgen voor je onderzoek. Dit kunnen ook boeken, bedrijven of
televisieseries zijn.
Anoniem onderzoek: bij dataverzameling worden geen
persoonsgegevens verzameld. Identiteit blijft anoniem.
Vertrouwelijk onderzoek: onderzoekers hebben wel persoonlijke
informatie verzameld voor het onderzoek, maar deze worden niet
bekend gemaakt.
Informed consent: Deelnemer wordt vooraf geïnformeerd over het
onderzoek, welke gegevens wel en niet worden verzameld, en
mogelijke risico’s en/of voordelen er zijn bij deelname.
College 3A
Observatie: het waarnemen en registeren van gedragingen,
gebeurtenissen en interacties.
Participerend: onderzoeker is lid van de groep die onderzocht
wordt.
Niet-participerend: onderzoeker gaat van buitenaf onderzoeken
en observeren
Verhuld: de mensen die zich in dezelfde omgeving bevinden waar
de onderzoeker onderzoek doet, weten niet dat de onderzoeker
zichzelf is.
Onverhuld: er wordt aangekondigd dat er een onderzoeker
aanwezig is in de omgeving om mensen te observeren.
Systematisch: de onderzoeker gaat opzoek naar bepaalde
kenmerken of bedragingen.