Geneesmiddelen kennis
Farmacotherapie: wijze waarop medicijnen bij de mens moeten worden
toegepast.
Doel geneesmiddel:
Causaal – oorzaak van de ziekte wegnemen
Curatief – genezend
Preventief, profylactisch – voorkomen van ziekte
Symptomatisch – de verschijnselen/ symptomen behandelen v.d.
ziekte. (paracetamol, zodat je geen pijn hebt)
Substitutioneel – medicijnen die een bepaalde stof vervangen.
( insuline bij diabetes )
Additioneel - medicijnen die toegevoegd worden voor meer effect
zodat het beter helpt/werkt ( paracetamol met cafeïne )
Diagnostisch – geeft een stof om de diagnose te herstellen ( contrast
vloeistof bij een röntgenfoto )
Placebo-effect – medicijnen zonder werkzame stof waarbij een aantal
patiënten zich toch beter voelt
Wet op de geneesmiddelen
Registratie geneesmiddelen.
- Duurt 10 jaar voordat je echt een medicijn kan gebruiken
Voorwaarden
- Onderzoek naar werkzaamheid, toxiciteit en bijwerkingen
- Toxiciteit -> giftigheid van stof (Medicijn) de hoeveelheid giftige
stoffen je binnen krijgt
Naam geneesmiddel
Chemische naam
Stofnaam (WHO)
Merknaam of handelsnaam
Begrippen medicijnen
Octrooi: wanneer een fabrikant het uitgevonden heeft en die het alleen
mag uitgeven. Bij medicijnen tot 12 jaar.
Locopreparaat/loco: vervangend medicijn
Parallel-import: medicijnen worden geïmporteerd uit andere landen,
daar is het goedkoper.
Toedieningsvormen
, Droge toedieningsvormen: pilletjes, capsules (meest gebruikte)
Natte toedieningsvormen: injectie, hoestdrankje
Vette toedieningsvormen: zetpillen, zalf
Gas- en nevelvormige toedieningsvormen: astmhapuf, neusspray.
Toedieningswegen:
Oraal, Rectaal, Vaginaal, Huid
Lokaal effect
Zalf, crème, druppels
Vaginaal tablet
Inhalatiepoeder of nevel
Injectie voor plaatselijk effect.
Algemeen effect
Enterale toedieningen: in de darmen
Darmen twee ingangen mond en anus
Sublinguaal: onder de tong, opname in het bloed via
mondslijmvlies
Oraal: door de mond (per os, p.o.) opname in het bloed via dunne
darmslijmvlies.
First pass effect: het eerste keer dat het medicijn dor het lichaam
gaat.
Rectaal: door de anus, in de endeldarm. Opname in het bloed via
rectumslijmvlies.
Parenterale toediening: om de darm heen, injectie:
Intraveneus: inspuiten in de ader.
Subcutaan: onderhuidse bindweefsel
Intramusculair: in de spier
Inhalatie: puffer, via luchtpijp
Intranasaal: in de neus, neusspray
Transdermaal: door de huid, medicijn door de huid met behulp van
een pleister. Bij hartklachten een pleister op de hart. Medicijn gaat
door de huid naar het hart heen.
Implantatie: een staafje die in je lichaam wordt geplaatst.
Intrathecaal: in de ruggenmerg.
Werking geneesmiddelen:
Farmacotherapie: wijze waarop medicijnen bij de mens moeten worden
toegepast.
Doel geneesmiddel:
Causaal – oorzaak van de ziekte wegnemen
Curatief – genezend
Preventief, profylactisch – voorkomen van ziekte
Symptomatisch – de verschijnselen/ symptomen behandelen v.d.
ziekte. (paracetamol, zodat je geen pijn hebt)
Substitutioneel – medicijnen die een bepaalde stof vervangen.
( insuline bij diabetes )
Additioneel - medicijnen die toegevoegd worden voor meer effect
zodat het beter helpt/werkt ( paracetamol met cafeïne )
Diagnostisch – geeft een stof om de diagnose te herstellen ( contrast
vloeistof bij een röntgenfoto )
Placebo-effect – medicijnen zonder werkzame stof waarbij een aantal
patiënten zich toch beter voelt
Wet op de geneesmiddelen
Registratie geneesmiddelen.
- Duurt 10 jaar voordat je echt een medicijn kan gebruiken
Voorwaarden
- Onderzoek naar werkzaamheid, toxiciteit en bijwerkingen
- Toxiciteit -> giftigheid van stof (Medicijn) de hoeveelheid giftige
stoffen je binnen krijgt
Naam geneesmiddel
Chemische naam
Stofnaam (WHO)
Merknaam of handelsnaam
Begrippen medicijnen
Octrooi: wanneer een fabrikant het uitgevonden heeft en die het alleen
mag uitgeven. Bij medicijnen tot 12 jaar.
Locopreparaat/loco: vervangend medicijn
Parallel-import: medicijnen worden geïmporteerd uit andere landen,
daar is het goedkoper.
Toedieningsvormen
, Droge toedieningsvormen: pilletjes, capsules (meest gebruikte)
Natte toedieningsvormen: injectie, hoestdrankje
Vette toedieningsvormen: zetpillen, zalf
Gas- en nevelvormige toedieningsvormen: astmhapuf, neusspray.
Toedieningswegen:
Oraal, Rectaal, Vaginaal, Huid
Lokaal effect
Zalf, crème, druppels
Vaginaal tablet
Inhalatiepoeder of nevel
Injectie voor plaatselijk effect.
Algemeen effect
Enterale toedieningen: in de darmen
Darmen twee ingangen mond en anus
Sublinguaal: onder de tong, opname in het bloed via
mondslijmvlies
Oraal: door de mond (per os, p.o.) opname in het bloed via dunne
darmslijmvlies.
First pass effect: het eerste keer dat het medicijn dor het lichaam
gaat.
Rectaal: door de anus, in de endeldarm. Opname in het bloed via
rectumslijmvlies.
Parenterale toediening: om de darm heen, injectie:
Intraveneus: inspuiten in de ader.
Subcutaan: onderhuidse bindweefsel
Intramusculair: in de spier
Inhalatie: puffer, via luchtpijp
Intranasaal: in de neus, neusspray
Transdermaal: door de huid, medicijn door de huid met behulp van
een pleister. Bij hartklachten een pleister op de hart. Medicijn gaat
door de huid naar het hart heen.
Implantatie: een staafje die in je lichaam wordt geplaatst.
Intrathecaal: in de ruggenmerg.
Werking geneesmiddelen: