Hoofdstuk 1: algemene basisprincipes vh verpleegkundig handelen
1. Hygiene / Steriliteit
= preventie van besmetting vd pt door de pt. Het overbrengen van kiemen vd ene plaats naar de andere.
Algemene regels ivm preventie van infectie
- direct contact vermijden v besmettingsbron
- indirect verspreiden v kiemen vanuit besmettingsbron vermijden
- vermijden dat kiemen zich verspreiden
- weg van besmetting bij kiemen kennen en dan ernaar handelen
- lucht is 1 vd belangerijkste wegen
Handelingsstrategie vertaald
- zorgen voor goede handhygiene (wassen/ontsmetten)
- eerst contact met niet-besmette en dan met besmette
- naar besmettingsbron toe
- verschil tss steriliteit en huishoudelijk proper
2. Beleving vd patient
= elke gebeurtenis die iem meemaakt, elk contact roept positieve/negatieve gevoelens op.
Vaak voorkomende problemen
- Angst voor het onbekende
- Angst en ongenoegen tgv het verstoren vd privacy
Respect voor privacy uit zich door:
Vragen van toelating aan pt
Niet meer dan noodzakelijk de intieme sfeer binnendringen
Gesprek voeren wanneer er toch schending was
Geen fotos nemen
3. Zelfzorg en inspraak vd patient
- pt zelf laten uitvoeren wat hij kan
- pt zelf laten beslissen waar hij kan
4. Veiligheid
= systemathische rapportage
,5. Comfort
De houding
Temperatuur
Lawaai
Interpersoonlijk sfeer
6. Ergonomie
= studiegebied dat menselijke activivteiten bestudeert in hun materiele vormgeving, daarbij de aandacht
toespitsend op aanpassing vh werk aan de eigenheid vd mens.
7. Economie/Ecologie
- zorg voor het welslagen van onderzoek/behandeling
- niet meer materiaal dan nodig gebruiken + juiste
- tijd
Hoofdstuk 1.1.: Algemene procedures van een verpleegkundige interventie
Zie cursus p22-28
Hoofdstuk 2: Behoefte aan rust en slaap
1. Slaapfysiologie: het normale patroon
Circadiaans ritme
= het patroon dat de lichaamsfuncties volgen met duur van ongeveer 24u dat verschilt van persoon
tot persoon. Hierin spelen de hormonale factoren (hypofyse: serotonine/melatonine), de
lichaamstemperatuur en het tijdstip van het laagste punt een grote rol.
Indeling maken van het slaappatroon
Wordt gemeten adhv:
EEG (ElektroEncefaloGram) = meet activiteit vd hersenen
EMG (ElektroMyoGram) = meet activiteit vd spieren
EOG (ElectroOculoGram) = meet activiteit vd ogen
Slaapstadia
- 1 slaapfase= 80-100 min
- 1 nacht= 4-6 slaapstadia
- 1 stadia= herhaling vd slaapfasen
- Naar nacht toe: toename vd REM-slaap
2. Factoren die welbevinden, rust en slaap beinvloeden
, Leeftijdsbehoeften
= het verschil in behoefte aan slaap naarmate we ouder worden
Geluid
Vaste gewoonten en rituelen
= individuele verschillen ten aanzien van een slaapritueel of gedragspatroon
Fysieke toestand
= opgroeiende kindere, zwangere vrouwen, zieken,..
Onvoldoene inspanning/beweging door de dag
Honger/overdadige maaltijd
Alcohol
Medicatiegebruik
Ongemak
3. Slaaptekort: gevolgen
Polysomnografie
= slaaponderzoek
4. Classificatie v slaap- en waakstoornissen
Insomnieen = moeilijk inslapen of doorslapen
Hypersomnieen = overdag overmatig slapen
Stoornissen vh slaap- = mensen kunnen niet via circadiaans ritme slapen
waakritme
Parasomnieen = stoornis dat optreed tijdens het slapen of verergert
5. Symptomen v slaap- en waakstoornissen
Psychologische insomnia = slapeloosheid en het vlug wakker worden/moeilijk in slaap vallen
Narcolepsie = overmatig slapen/geneigd zijn tot slapen overdag, hypnagoge hallucinaties,
kataplexie(verlamming)
Slaapnoesyndroom = overmatig en luid snurken en vermoeidheid en slaperigheid overdag
Nachtelijke myoclonus = plotse en bruuske bewegingen die elkaar opvolgen
Onrustige = slaapkamer te warm/koud, veel licht, lawaai,…
omgevingsfactoren
Invloed v hypnotica,
alcohol, stimulantia
Slaapritmestoornissen = door externe factoren (jetlag), ploegenarbeid, door intrinsieke factoren
(uitgesteld slaapgedrag)
Slaapwandelen
Nachtangst = paniekachtige toestand waarin men niet volledig wakker is
, Nachtmerries = beangstigende dromen die de slaper uit REM slaap halen
Bruxisme = tandenknarsen
Enuresis nocturna = bedplassen
Sleep talking
Scheidingsangst
6. Verpleegkundig handelen
Doel: ongemak vermijden/verzachten, rust, algemeen welbevinden bevorderen --> goede slaaphygiene
bekomen.
Hoe: slaappatroon en rituelen respecteren, voldoende voeding, rustige activiteiten, geen thee/koffie ervoor,
comfortabele houding, voorkomen van dagslapen, toilet, tanden poetsen, pijnstilling, geen lawaai
Hoofdstuk 2.2.: Procedure: het afhalen en opmaken van een bed
Zie cursus p41-60
Hoofdstuk 3: Behoefte aan beweging
1. Houdingen beweginspatronen en beinvloedende factoren
1.1. Normaal motorisch functioneren
Belangerijkste stelsel is skelet, beenderenstelsel, spierstelsel, zintuigen:
Nociceptie = pijn voelen
Proprioceptie =. Aanvoelen van positie
Tastreceptoren = aanraking, trilling
Gezichtsvermogen
1.2. Lichaamshouding bij zorgvragers
Staan (moeilijk of niet lang knn rechtstaan, stijf, onevenwichtig)
Zitten (niet rechtzitten, in mekaar wakken, scheefzakken, stijf)
Liggen (passief/actief)
Dwanghouding (wordt spontaan aangenomen om ongemak dat men heeft te verlichten)
1.3. Factoren die het motorisch functioneren belemmeren
o Probleem in samenspel spieren-botten-zenuwen-bloedvaten
o Ernstige ziekte
o Specifieke handicaps