Hoofdstuk 2: HOE komt men tot
sociologische kennis?
2.1 soorten kennis
Info uit buitenwereld ordenen dmv taal
doorgeven aan volgende generaties
kennis bepalend onderdeel van persoonlijkheid
systematisch opgebouwd
uit verschillende bronnen
2.1.1 kennis op basis van geloof of opvatting
= mensen weten iets omdat ze het geloven, de kennis wordt aangenomen van iemand die
men een autoriteit toekent.
bv: kinderen geloven hun ouders en kennen deze hiermee een autoriteit toe.
je neemt het aan zonder onderzoek, zonder het te weten/begrijpen
weinig kritisch
men is afhankelijk
bron voor gelovige onbereikbaar
dogma’s = formulering van een geloofswaardigheid die bindend is
dagelijkse leven, makkelijkste vorm wnn autoriteit betrouwbaar
gevolgen ve handeling op basis v geloofskennis toegekend aan de autoriteit
vooral in gesloten maatschappijen, toegang tot andere kennis afgesloten bhv voor
bevooroordeelde groep.
2.1.2 ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid
= ervaringen die mensen hebben meegemaakt door proberen, lukken en mislukken.
indringende kennis
absoluut waar voor de betrokkene
niet veralgemeenbaar/overdraagbaar naar anderen
wijsheid= door de ervaringen van het leven verworven kennis
hoge prijs (pijn en moeite vh proberen en mislukken
beperkt tot tijd en ruimte ve mensenleven
2.1.3 wetenschappelijke kennis
= de kennis van de waarheid omtrent de feiten. Gebaseerd op onderzoek nr de
werkelijkheid, eenvoudige rationele verklaringen
kritisch onderzoek
komt langzaam tot stand
transparant= voor iedereen toegankelijk
kan door iedereen in vraag gesteld worden, altijd voorlopig (nooit absolute
,waarheid)
progressie= wnn oude wet. Kennis weerlegd wordt
Habermas’ theorie van het communicatief handelen
Als mensen iets zeggen kan dit betrekking hebben op:
Objectieve zaken(klopt met objectieve feiten WAAR)
Sociale kwesties (overeenkomen met geldende normen JUIST)
Subjectieve dingen (overeenstemt met innerlijke gesteldheidWAARACHTIG)
2.2 sociologie als wetenschap
Standaardmodel
aantal criteria
2.2.1 sociologische vraagstelling en methode
minder speculatief dan gwne mens
sterk gestructureerd
vragen specifieke probleemstellingen operationaliseren
vragen methodologisch onderzoekbaar?
normatieve criteria
volwaardig wetenschappelijke uitspraken
Het survey onderzoek
Leunt dichtste aan bij wet. Onderzoeksstrategie
positivistische benadering (=wet. feiten zomaar toegepast op de mens)
beschrijvende of verklarende uitspraak.
verklarende: causaliteitsrelatie
oorzaak en gevolg
onafhankelijke en afhankelijke variabele
hieruit volgt: 1. een positief verband (hetzelfde)
2. een negatief verband (tegengestelde)
corelatie
Statistisch onderzoek
Kwantitatief onderzoek= verschil in resultaat door positivistische benadering (in cijfers)
Het experiment= in vitro
Kwantitatieve gegevens
Gecreëerd, niet reëel
Er zijn bepaalde veranderingen waarvan men de effecten bestudeerd + andere variabelen
onder controle, uitgeschakeld
, Zuivere meeting
Moeilijk uitvoerbaar en soms ethisch onverantwoord
Casestudy= kwalitatief diepte-interview
Diepten van het innerlijke meten
Beperkt aantal onderzoekseenheden
Meer oog voor situationele context
Interpretaties die mensen geven aan hun sociale werkelijkheid, hun definitie van de
situatie
Kwalitatief= meaning , betekenis van iets (in woorden)
2.2.2 criteria van wetenschappelijk onderzoek
soort van kwaliteitsgarantie voor het onderzoek
1. Representativiteit
= conclusies die waar zijn voor een deelgroep van da populatie gegeneraliseerd
kunnen worden naar de onderzoekspopulatie toe.
bij grootschalig onderzoek representatieve steekproef
steekproef= deelgroep die ondervraagd wordt
stratificeren= het maken van deelgroepjes waarbinnen elk element evenveel kans
heeft om in de onderzoekspopulatie betrokken te worden
ng steeds risico nl: non-respons = groep van onderzochten die op basis van
een gemeenschappelijk kenmerk voor een vertekening vd onderzoeksresultaten
zorgen.
2. Validiteit
Onderzoeksresultaten moeten een weerspiegeling zijn van wat de onderzoeker met
het onderzoek beweert te onderzoeken. Een te algemene vraag kan soms slechte
resultaten geven.
3. Betrouwbaarheid
Wanneer een zelfde onderzoeker in de dezelfde situatie en met zelfde
onderzoeksinstrument het zelfde resultaat zou verkrijgen. Factoren die resultaten
kunnen beïnvloede moeten worden beperkt.
Maatregelen om betrouwbaarheid te vergroten:
Duidelijke instructies bij enquêtes
Noterings- en coderingsfouten beperken + hier nr op zoek gaan
Onbetrouwbare gegevens opnieuw onderzoeken
Stappen weergeven (onderzoeksgroep, methode en gegevensverwerking)
Bij herhaling zelfde resultaat
4. Objectiviteit
sociologische kennis?
2.1 soorten kennis
Info uit buitenwereld ordenen dmv taal
doorgeven aan volgende generaties
kennis bepalend onderdeel van persoonlijkheid
systematisch opgebouwd
uit verschillende bronnen
2.1.1 kennis op basis van geloof of opvatting
= mensen weten iets omdat ze het geloven, de kennis wordt aangenomen van iemand die
men een autoriteit toekent.
bv: kinderen geloven hun ouders en kennen deze hiermee een autoriteit toe.
je neemt het aan zonder onderzoek, zonder het te weten/begrijpen
weinig kritisch
men is afhankelijk
bron voor gelovige onbereikbaar
dogma’s = formulering van een geloofswaardigheid die bindend is
dagelijkse leven, makkelijkste vorm wnn autoriteit betrouwbaar
gevolgen ve handeling op basis v geloofskennis toegekend aan de autoriteit
vooral in gesloten maatschappijen, toegang tot andere kennis afgesloten bhv voor
bevooroordeelde groep.
2.1.2 ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid
= ervaringen die mensen hebben meegemaakt door proberen, lukken en mislukken.
indringende kennis
absoluut waar voor de betrokkene
niet veralgemeenbaar/overdraagbaar naar anderen
wijsheid= door de ervaringen van het leven verworven kennis
hoge prijs (pijn en moeite vh proberen en mislukken
beperkt tot tijd en ruimte ve mensenleven
2.1.3 wetenschappelijke kennis
= de kennis van de waarheid omtrent de feiten. Gebaseerd op onderzoek nr de
werkelijkheid, eenvoudige rationele verklaringen
kritisch onderzoek
komt langzaam tot stand
transparant= voor iedereen toegankelijk
kan door iedereen in vraag gesteld worden, altijd voorlopig (nooit absolute
,waarheid)
progressie= wnn oude wet. Kennis weerlegd wordt
Habermas’ theorie van het communicatief handelen
Als mensen iets zeggen kan dit betrekking hebben op:
Objectieve zaken(klopt met objectieve feiten WAAR)
Sociale kwesties (overeenkomen met geldende normen JUIST)
Subjectieve dingen (overeenstemt met innerlijke gesteldheidWAARACHTIG)
2.2 sociologie als wetenschap
Standaardmodel
aantal criteria
2.2.1 sociologische vraagstelling en methode
minder speculatief dan gwne mens
sterk gestructureerd
vragen specifieke probleemstellingen operationaliseren
vragen methodologisch onderzoekbaar?
normatieve criteria
volwaardig wetenschappelijke uitspraken
Het survey onderzoek
Leunt dichtste aan bij wet. Onderzoeksstrategie
positivistische benadering (=wet. feiten zomaar toegepast op de mens)
beschrijvende of verklarende uitspraak.
verklarende: causaliteitsrelatie
oorzaak en gevolg
onafhankelijke en afhankelijke variabele
hieruit volgt: 1. een positief verband (hetzelfde)
2. een negatief verband (tegengestelde)
corelatie
Statistisch onderzoek
Kwantitatief onderzoek= verschil in resultaat door positivistische benadering (in cijfers)
Het experiment= in vitro
Kwantitatieve gegevens
Gecreëerd, niet reëel
Er zijn bepaalde veranderingen waarvan men de effecten bestudeerd + andere variabelen
onder controle, uitgeschakeld
, Zuivere meeting
Moeilijk uitvoerbaar en soms ethisch onverantwoord
Casestudy= kwalitatief diepte-interview
Diepten van het innerlijke meten
Beperkt aantal onderzoekseenheden
Meer oog voor situationele context
Interpretaties die mensen geven aan hun sociale werkelijkheid, hun definitie van de
situatie
Kwalitatief= meaning , betekenis van iets (in woorden)
2.2.2 criteria van wetenschappelijk onderzoek
soort van kwaliteitsgarantie voor het onderzoek
1. Representativiteit
= conclusies die waar zijn voor een deelgroep van da populatie gegeneraliseerd
kunnen worden naar de onderzoekspopulatie toe.
bij grootschalig onderzoek representatieve steekproef
steekproef= deelgroep die ondervraagd wordt
stratificeren= het maken van deelgroepjes waarbinnen elk element evenveel kans
heeft om in de onderzoekspopulatie betrokken te worden
ng steeds risico nl: non-respons = groep van onderzochten die op basis van
een gemeenschappelijk kenmerk voor een vertekening vd onderzoeksresultaten
zorgen.
2. Validiteit
Onderzoeksresultaten moeten een weerspiegeling zijn van wat de onderzoeker met
het onderzoek beweert te onderzoeken. Een te algemene vraag kan soms slechte
resultaten geven.
3. Betrouwbaarheid
Wanneer een zelfde onderzoeker in de dezelfde situatie en met zelfde
onderzoeksinstrument het zelfde resultaat zou verkrijgen. Factoren die resultaten
kunnen beïnvloede moeten worden beperkt.
Maatregelen om betrouwbaarheid te vergroten:
Duidelijke instructies bij enquêtes
Noterings- en coderingsfouten beperken + hier nr op zoek gaan
Onbetrouwbare gegevens opnieuw onderzoeken
Stappen weergeven (onderzoeksgroep, methode en gegevensverwerking)
Bij herhaling zelfde resultaat
4. Objectiviteit