1 - Introductie en argumentatieleer
Datum college 11 februari 2026
Literatuur H10 237-265 Krabbe
Basistermen
Hoofdstuk 10: Redeneren en argumenteren
10.1 Inleiding
10.2 Meningsverschillen en discussies
10.3 Redelijke en onredelijke discussiezettingen
10.4 Argumentatiestructuren
10.5 Het beoordelen van argumentatie
10.6 Logische geldigheid
Basistermen
Logica: Correct geldig redeneren
Ethiek: Wat is goed en wat is kwaad
Wijsgierige antropologie: Mensbeeld
Epistemologie: Wat is kennis
Wetenschapsfilosofie: Betrouwbaarheid wetenschappelijke kennis
Hoofdstuk 10: Redeneren en argumenteren
10.1 Inleiding
Logica - Een vak dat studie maakt van redeneringen, argumentaties, betogen en discussies, en zich daarbij richt
op de vraag wat er op dit gebied als correct en wat er als incorrect moet worden beoordeeld. De context van de
redeneringen wordt buiten beschouwing gelaten.
Wordt beoefend vanuit de exacte vakken.
Argumentatieleer - Gaat over de contexten waarin de redeneringen worden gedaan, en niet om het feit of ze
correct of incorrect zijn. Het oplossen van meningsverschillen staat centraal.
Wordt beoefend vanuit de taalbeheersing en taalkunde.
10.2 Meningsverschillen en discussies
Geuit meningsverschil/geschil - Ten minste één meningsuiting van één gesprekspartner en een uiting van een
andere gesprekspartner waaruit blijkt dat deze die mening (nog) niet deelt.
Enkelvoudig geschil - Een geschil waarbij maar één kwestie aan de orde is.
Vraag: Is dit het geval of is dit niet het geval?
Gemengd enkelvoudig geschil - Enkelvoudig verschil waarbij meer dan één gesprekspartner een
standpunt inneemt.
Bv: ‘X is waar’ en ‘X is niet waar’.
Niet-gemengd enkelvoudig geschil - Enkelvoudig verschil waarbij slechts één gesprekspartner een
standpunt inneemt. De ander brengt het dan alleen in twijfel.
Bv: ‘X is waar’ en ‘Waarom denk je dat?’.
1 - Introductie en argumentatieleer 1
, Meervoudig geschil - Een geschil waarbij meerdere kwesties aan de orde zijn. Het kan zijn dat één iemand
meerdere proposities zegt, of dat verschillende personen andere proposities hebben.
Gemengd meervoudig geschil - Meervoudig verschil waarbij meer dan één gesprekspartner standpunten
inneemt.
Bv: ‘X is waar’ en ‘Y is waar’.
Niet-gemengd enkelvoudig geschil - Meervoudig verschil waarbij slechts één gesprekspartner
standpunten inneemt.
Bv: ‘X is waar en Y is waar’ en ‘Waarom denk je dat?’.
Propositie - Bewering die waar of niet waar kan zijn.
Strijdige proposities - Twee proposities die niet tegelijk waar kunnen zijn.
Contraire proposities - Twee strijdige proposities die wel tegelijk onwaar kunnen zijn.
Tegengestelde proposities - Twee strijdige proposities die niet allebei waar en niet allebei onwaar kunnen
zijn. Als de ene bewering dus waar is, is de ander altijd niet waar.
Standpunt - Een propositie die iemand in een geschil voor zijn rekening neemt.
Er zijn positieve (X is waar) en negatieve standpunten (X is niet waar).
Kritische discussie - Het (enige) meetinstrument om geschillen op te lossen waarbij iedere gesprekspartner de
ander met een serieuze overtuigingspoging probeert over te halen tot de eigen positie.
Niet elke discussie hoeft een kritische discussie te zijn. Er bestaan ook nog andere soorten die vaak niet eens
over een geschil gaan.
Discussies zonder geschil:
Informatieve discussies - De ene gesprekspartner beschikt over kennis die de ander door vragen probeert
te leren.
Bv: Interviews, uitleg van docent, politieverhoor.
Onderzoeksdiscussies - Geen van de gesprekspartners heeft een standpunt.
Bv: Studenten die samen een opdracht maken, rechercheurs die een zaak proberen op te lossen.
Beraadslagingen - Discussies over hoe te handelen of over de te volgen koers.
Discussies met geschil:
Ruzies - Het doel is eerder stoom afblazen dan tot een oplossing komen.
Twistgesprekken - Het doel is om de schijn te wekken de winnaar van de discussie te zijn, waarbij de
redelijkheid er niet toe doet.
Onderhandelingen - Het doel is niet om de ander te overtuigen, maar om tot een compromis te komen.
10.3 Redelijke en onredelijke discussiezettingen
Verdedigingsplichtregel - Een discussiant die een standpunt naar voren brengt is verplicht dit desgevraagd te
verdedigen.
Drogredenen - Overtredingen van de discussieregels die samen de ideale gang van zaken in een kritische
discussie beschrijven, zoals het ontduiken van de bewijslast.
Bewijslast - De plicht om met argumenten te komen.
Bv: 1: ‘X is waar’, 2: ‘Hoezo?’, 1: ‘Dat is gewoon zo’. Persoon 1 komt niet met argumenten.
Standpuntsregel - Een aanval op een standpunt moet betrekking hebben op het standpunt dat ook werkelijk door
de andere partij naar voren is gebracht.
1 - Introductie en argumentatieleer 2
, Bv: 1: ‘X is waar’, 2: ‘Hoezo?’, 1: ‘Hoezo niet?’. Persoon 1 gaat er vanuit dat persoon twee het standpunt heeft
dat X niet waar is, maar dit hoeft niet zo te zijn.
Dit is ook een voorbeeld van ontduiken van de bewijslast.
Stroman - In plaats van de tegenstander aan te pakken, wordt de tegenstander vervangen voor een stropop die
hij dan met gemak omver stoot. Er worden verdraaide of geheel verzonnen standpunten in de schoenen
geschoven van de tegenstander die vervolgens worden aangepakt. Er wordt niet tegen de echte standpunten of
twijfels ingegaan.
Kritiek
Kritische reacties van een criticus zonder standpunt:
Houdbaarheidskritiek - Kritiek die zich richt op een mogelijk gebrek aan houdbaarheid van het argument
op zichzelf. Persoon 1 komt dan met een argument, maar persoon 2 gelooft dit argument nog niet.
Dit zorgt voor een nieuw subgeschil en substandpunt
Bewijskrachtkritiek - Kritiek die zich richt op een mogelijk gebrekkige bewijskracht van de argumentatie.
Het gegeven argument is niet sterk genoeg om een ander te overtuigen van het standpunt.
Actieve kritiek - Kritische reacties van een criticus met standpunt.
Recht tegen het argument ingaan.
Tegenwerping - Kritiek die zich richt op de bewijskracht van het argument.
Tegenargument - Met een argument komen dat het standpunt ondersteunt dat tegengesteld is aan het
hoofdstandpunt.
Drogredenkritiek - Kritiek op de bewijskracht van het gegeven argument. De kritiek heeft betrekking op de
manier waarop de discussie wordt gevoerd.
Dit resulteert in een geschil en standpunt op metaniveau.
10.4 Argumentatiestructuren
Proponent (protagonist) - Verdediger van het hoofdstandpunt. Probeert gedurende discussie een argumentatie
op te bouwen die dat standpunt ondersteunt.
Opponent (criticus, respondent, antagonist) - Probeert door kritische discussiezetten de mogelijkheid van twijfel
aan het hoofdstandpunt open te houden.
Argumentatiestructuren - De verschillende patronen van ondersteuningsrelaties tussen argumenten.
Enkelvoudige argumentatie - Standpunt met twee argumenten, waarvan één verzwegen blijft.
Ondergeschikte argumentatie - Standpunt met een argument en nog een argument die de eerste aanvult.
Nevenschikkende argumentatie - Standpunt met meerdere argumenten die bij elkaar horen.
Cumulatief nevenschikkende argumentatie - Standpunt met meerdere zwakke argumenten, maar die bij
elkaar wel sterk genoeg zijn.
Complementair nevenschikkende argumentatie - Standpunt met meerdere argumenten die los staan van
elkaar, waarbij er een argument is tegen een tegenwerping van de opponent.
Meervoudige argumentatie - Standpunt met meerdere argumenten die ieder op zich al sterk genoeg zijn.
Het is nuttig om argumentatieschema’s te kunnen maken om stukken tekst beter te begrijpen. Je hoeft het niet op
de toets te kunnen. Ook niet de begrippen.
10.5 Het beoordelen van argumentatie
Deelnemersperspectief - Uitgangspunten en redeneringen beoordelen vanuit je eigen inzichten.
1 - Introductie en argumentatieleer 3