HOORCOLLEGE 1
THEORIE: HOOFDSTUK 1
• Belang van psychologische metingen
• Leerdoelen geassocieerd met dit hoofdstuk:
o Uitleggen en herkennen van types en uitdagingen van metingen
METINGEN
, PSYCHOLOGISCHE TESTEN EN PSYCHOMETRIE
Psychologische test: een systematische procedure voor het vergelijken van gedrag van twee of meer
mensen.
• Gedragsmatige steekproef (alle soorten gedragingen)
• Verzameld op een systematische manier (gestandaardiseerde condities)
• Gedrag vergelijken (intra- of inter-individuele verschillen)
Psychometrie: de wetenschap betrokken bij het evalueren van eigenschappen van psychologische
testen.
• Type informatie
• Betrouwbaarheid
• Validiteit
UITDAGINGEN VOOR METING
• Identificeren en vastleggen van menselijke psychologische eigenschappen in een enkel getal
o Als we depressie meten, kunnen we dan echt beweren dat de waarde op de test
depressie als geheel weergeeft?
o En hoe zit het met suïcidale gedachten en de slapeloze nachten? Zal een toename van
die waarde ook die dingen doen toenemen?
• Deelnemer reactiviteit
o Deelnemers antwoorden soms op een sociaal wenselijke manier, of antwoorden op
een manier waarvan ze denken dat de onderzoeker wil dat ze antwoorden (demand
characteristics).
o De formulering kan ook verschillende evaluaties van deelnemers oproepen. Iemand
kan een vraag anders opvatten of anders erop reageren door de manier waarop je de
test hebt gecreëerd, maar deze verschillen zijn niet gerelateerd aan de daadwerkelijke
verschillen op het construct dat je wil meten.
▪ Voorbeeld: je hebt een vragenlijst over werktevredenheid, maar je moet eerst
je naam invullen. Sommige deelnemers maakt het niks uit, anderen wel. Stel
dat Piet en Klaas allebei hun werk leuk vinden en het een 8 geven. Wanneer
Piet zijn naam moet invullen wordt hij zenuwachtig en verhoogt zijn cijfer tot
een 9. Dit is een verschil in test-score tussen Piet en Klaas ook al is er geen
echt verschil.
• Objectiviteit (verwachtings- en bias effecten)
o Hoe objectief is de test? Hoe objectief is de onderzoeker?
o Als er ruimte is voor een grijs gebied, zal de onderzoeker dan de resultaten
interpreteren in het voordeel van zijn hypothese?
▪ Voorbeeld: je bent onderdeel van een gerandomiseerde controle trial waarbij
de effectiviteit van antidepressiva die jij gecreëerd hebt getest wordt. Je weet
dat een groep een placebo krijgt en de andere groep een antidepressiva. Ook
al probeer je objectief te zijn, je verwacht dat mensen in de antidepressiva-
groep zich beter zullen voelen, waardoor je je meer focust op hun positieve
resultaten als je ze controleert.
▪ Voorbeeld: een van je favoriete studenten heeft een paper geschreven dat je
moet beoordelen. Je merkt een stuk op dat een beetje vaag geschreven is.
Omdat je positief naar de student kijkt, geef ze het voordeel van de twijfel, wat
een bias van jezelf belicht.
• Samengestelde score
o Is de combinatie van scores een weerspiegeling van hoe ze gewogen worden in het
echte leven?
, o Kan je suïcidale gedachten en slapeloze nachten gewoon samen nemen voor een
algehele depressiescore? Zijn suïcidale gedachten iets dat twee keer zo zwaar
meegeteld moet worden als slapeloze nachten?
• Scoregevoeligheid
o Een test moet gevoelig genoeg zijn om op een betrouwbare manier de verschillen
tussen mensen op te merken.
▪ Voorbeeld: Piet en Klaas vullen een werktevredenheidstest in. Piet zal een 7,9
geven aan werk en Klaas een 8. Zal de test juist laten zien dat Piet een iets
lager cijfer geeft dan Klaas? Als dat niet het geval is, is de test niet gevoelig
genoeg voor alle verschillen tussen constructen.
• Gebrek aan bewustzijn van psychometrische informatie
o Als iemand een test gebruikt, begrijpen ze dan hoe de test werkt en hoe het
geïnterpreteerd moet worden?
▪ Voorbeeld: veel sollicitatiegesprekken vereisen een psychologische test, maar
kan de interviewer de score van een test echt interpreteren, gezien de
tekortkomingen, of de nuances door het begrijpen van de psychometrische
eigenschappen?
▪ Wat als de betrouwbaarheid 0,7 is? Wat is de ecologische validiteit? Heeft die
persoon die informatie of weet die persoon hoe hij die informatie überhaupt
moet gebruiken?
THEORIE: HOOFDSTUK 2
• Schalen
• Leerdoelen: geen
SCHALEN
‘’Als iets bestaat, moet het in een bepaalde hoeveelheid bestaan.’’ ~Thorndike
Psychologische meting: een proces waarbij getallen toegewezen worden om kwantiteiten van
psychologische eigenschappen te weerspiegelen.
• Steven (1945): meten is het toekennen van getallen aan objecten of gebeurtenissen (gedrag)
volgens regels (schalen van meting).
Schalen: de manier waarop numerieke waarden toegewezen worden aan psychologische
eigenschappen.
Het meten van lengte is gemakkelijk, omdat de meting bekend is en de interpretatie van de getallen
lijkt duidelijk. Het meten van gevoelens is moeilijker.
EIGENSCHAPPEN VAN GETALLEN
Identiteit: identiek, wederzijds exclusief en uitputtend.
• Identiek: iedereen in dezelfde categorie is identiek met betrekking tot de gemeten eigenschap.
• Wederzijds exclusief: iemand die in de ene categorie valt, kan niet in de andere categorie
vallen.
• Uitputtend: iedereen valt in één categorie.
Volgorde: cijfers zijn nog steeds labels, maar rangen hebben betekenis.
Kwantiteit: echte nummers, geven echte hoeveelheid van eigenschap aan, grootte van verschil tussen
mensen, continu.
, CIJFER 0
Absolute betekenis: 0 betekent dat iets niet bestaat (lengte, gewicht, reactietijd, kwantiteit),
bijvoorbeeld aantal herinnerde stimuli.
Willekeurige betekenis: 0 is gewoon een waarde op een schaal (temperatuur in Celsius, kalender),
bijvoorbeeld capaciteit van werkgeheugen.
Arbitrariness betekent dat iets subjectief is, dus niet objectief/vaste basis. Het is gebaseerd op
toevallige keuzes of interpretaties.
VIER SCHALEN VAN METEN
Nominaal: eigenschap van identiteit wordt gebruikt om observaties te labelen in categorieën volgens
een psychologische eigenschap. Staat alleen labelen/categorisatie toe.
Ordinaal: eigenschap van volgorde wordt gebruikt om mensen te rangschikken volgens een
psychologische eigenschap. Staat rangschikking toe.
Interval: eigenschap van kwantiteit en willekeurige 0. 0 betekent niet dat een psychologische
eigenschap afwezig is. Meeteenheden hebben een constante grootte. Staat additiviteit toe.
Ratio: eigenschap van kwantiteit en absolute 0. 0 geeft de ware afwezigheid van een eigenschap aan.
Staat additiviteit en vermenigvuldiging aan.
Psychologische eigenschappen: Likert schalen worden vaak gebruikt. Ordinale schaal is accuraat
maar interval schaal wordt gebruikelijk geaccepteerd. Voor geaggregeerde scores (som scores,
gemiddelden) lijkt dit redelijk, maar voor enkele items problematisch.
Van nominaal tot ratio gaat informatie van weinig naar veel.
MEETEENHEDEN
Willekeurigheid in eenheid grootte:
• Alle meeteenheden die we kennen zijn op een bepaald moment zo besloten.
• Overeenstemming maakt het makkelijk voor ons om met anderen te communiceren.
Willekeurigheid in type object dat gemeten moet worden:
• Kilogrammen zijn niet beperkt tot het meten van één type object.
Willekeurigheid in kenmerk dat gemeten wordt:
• Sommige eenheden kunnen gebruikt worden om meerdere kenmerken te meten.
Psychologische eigenschappen zijn alleen willekeurig in eenheid grootte.
PROBLEMEN MET GETALLEN IN SOCIALE WETENSCHAPPEN
Komen de ‘meeteenheden’ overeen met gelijke hoeveelheden van een eigenschap (addidiviteit)?
We willen dat onze meeting maar door één eigenschap beïnvloed wordt die we meten, ongeacht de
condities die er op dezelfde tijd of plek zijn.
Paradox: we willen de hoeveelheid van een psychologische eigenschap vertalen naar een reeks
getallen om het kenmerk te meten, maar we weten niet hoeveel van de eigenschap daadwerkelijk
bestaat, omdat we de psychologische eigenschap niet rechtstreeks kunnen observeren.