MAJOR DEPRESSIVE DISORDER
SAMENVATTING
Introductie
Kenmerken van major depressive disorder zijn depressieve stemming, verminderde interesse,
terugkerende gedachten aan de dood, stigma en fysieke comorbiditeiten (cardiovasculaire ziekten,
obesitas). Het wordt veroorzaakt door een interactie-effect van genen, omgeving, psychologische
factoren en biologische factoren. Aanbevolen behandelingen zijn antidepressiva en psychotherapie.
Daarnaast kunnen elektroconvulsieve therapie, biologische interventies (transcraniale breinstimulatie)
en leefstijlinterventies toegepast worden.
Epidemiologie
Prevalentie
De geschatte prevalentie varieert afhankelijk van het studieontwerp en gebruikte meetinstrumenten. Zo
wordt de prevalentie geschat tussen de 4-30% wereldwijd. Ook verschilt de prevalentie tussen landen,
met maar een klein verschil tussen hoge- en lage-inkomenslanden. Het is onduidelijk of het gaat om
ware verschillen. Daarnaast komt major depressive disorder twee keer zo vaak voor bij vrouwen als bij
mannen, wat komt door verschillen in biopsychosociale factoren (genen, hormonen) en
omgevingsfactoren (maatschappelijke genderverschillen).
Course van ziekte
Major depressive disorder begint vaak in de vroege volwassenheid (20-25 jaar). De mediaan duur is 2
tot 6 maanden (gemeenschapsvragenlijsten), maar in mentale gezondheidszorgssettings heeft 34-48%
een blijvende ziekte met hoge terugval.
Mortaliteit
Major depressive disorder wordt geassocieerd met vroegtijdige dood, mede door comorbide ziektes en
zelfmoord. Ook wordt het geassocieerd met hoger risico op suïcidale ideatie, planning en pogingen.
Risicofactoren voor zelfmoord zijn psychotische kenmerken, man zijn, zelfmoordpogingen en
ernstigere depressieve symptomen.
Mechanismen/pathofysiologie
Er werd gedacht dat major depressive disorder veroorzaakt wordt door tekorten in monoaminerge
neurotransmitters (serotonine, dopamine), maar uit onderzoek blijkt dat ook etiologische en
moleculaire/cellulaire mechanismen betrokken zijn (genen, omgeving, veranderingen in hersenen).
De combinatie van biologische vatbaarheid en omgevingsrisico- en beschermende factoren bepaalt het
risico op major depressive disorder, hoewel de omgevingsfactoren maar een kleine bijdrage leveren.
De meeste conceptualisaties van major depressive disorder die focussen op deze interactie, zijn een
variant van het kwetsbaarheid-stressmodel: genetische, psychosociale of biologische kwetsbaarheden
maken iemand vatbaar voor major depressive disorder maar er is blootstelling nodig aan bepaalde
omgevingsstressoren voor de ontwikkeling van de stoornis.
,Genen en epigenetica
Nakomelingen van individuen met major depressive disorder hebben een risico van 35-40% op het
ontwikkelen van major depressive disorder. De geschatte erfelijkheid is 37%, maar omgevingsfactoren
spelen ook een rol. Grote genetische studies tonen aan dat veelvoorkomende genetische varianten elk
een klein effect hebben op het risico. Echter is er beperkte invloed van zeldzame genetische varianties.
De betrokken genen zijn vaak verbonden aan hersenfuncties zoals neurotransmissie en ontsteking. Er
is genetische overlap met andere psychiatrische stoornissen (angst, ADHD) en lichamelijke
aandoeningen (diabetes, BMI). Gen-omgevingsinteracties spelen een rol, waarbij trauma uit kindertijd
en tegenspoed in het leven het meest onderzocht zijn.
Omgevingsrisico- en beschermende factoren
Risicofactoren Beschermende factoren
Vrouw zijn Man zijn
Adolescent en jongvolwassene Oudere volwassene
Lage SES Hoge SES
Introvert Extravert
Externe locus of control Interne locus of control
Trauma uit kindertijd Goede opvoeding
Armoede Economische zekerheid
Geen sociale steun, pesten, discriminatie Sociale steun
Onveilige buurt Veilige buurt
Ongezonde leefstijl Gezonde leefstijl
Obesitas Goede fysieke gezondheid
De risico- en beschermende factoren kunnen niet alleen gezien worden als omgevingsfactor, aangezien
sommige factoren ook genetische invloed hebben, zoals trauma uit kindertijd en lage educatie.
Daarnaast zijn veel factoren bidirectioneel verbonden met major depressive disorder: gebrek aan steun
kan het risico verhogen (sociale oorzaak) maar mensen met major depressive disorder functioneren
sociaal slechter wat leidt tot kleinere sociale netwerken (sociale drift). Risicofactoren zijn complex,
beïnvloeden elkaar en kunnen indirect andere factoren beïnvloeden.
Neurale paden
Een depressieve episode is deels het effect van verstoorde netwerkregulatie waarbij meerdere
breingebieden betrokken zijn die interageren om verschillende emotionele, cognitieve of somatische
responses te bemiddelen. Deze patronen zijn erg variabel.
Structurele veranderingen
Bij major depressive disorder zijn vooral de prefrontale cortex en anterior cingulate betrokken
(gebieden die emoties en cognitieve controle aansturen), waarbij genetische afwijkingen, verminderde
grijze stof en neuro-ontsteking zijn aangetoond. Verder komen hippocampale atrofie en veranderingen
in witte stof vaak voor. Mogelijke oorzaken zijn ontsteking, HPA-as dysregulatie en afwijkende
hersenontwikkelingen. Echter zijn de gevonden hersenverschillen klein en het blijft onduidelijk of
deze verschillen een oorzaak, gevolg of littekens zijn van major depressive stoornis.
, Functionele veranderingen
Veranderingen in functioneren van breingebieden:
Het saillantienetwerk (opmerken en betekenis geven aan emotionele en motiverende stimuli):
verbinding is sterker, vooral in gebieden als amygdala en anterior insula, wat kan leiden tot
overgevoeligheid voor negatieve prikkels.
Het frontoparietale netwerk (higher-order cognitieve processen, doelgericht gedrag, focus):
verbinding is zwakker, vooral bij negatieve prikkels.
Het standaardmodusnetwerk (zelfreferentieel denken): zowel sterke als zwakke verbindingen,
wat piekergedrag kan verklaren.
Neuroplasticiteit
Er is bewijs gevonden voor verstoorde neuroplasticiteit en neurogenesis (nieuwe zenuwcellen worden
aangemaakt in de hersenen). Uit sommige studies is gebleken dat het hippocampale volume verhoogde
na antidepressiva, wat wijst op neurogenesis.
Gedereguleerde lichamelijke stresssystemen
Major depressive disorder treft je hele lichaam, aangezien het geassocieerd is met chronische
overactiviteit van autonome zenuwstelsel, immuunsysteem en HPA-as.
HPA-as
De HPA-as is een primair stressresponsesysteem dat aanpassing mogelijk maakt aan negatieve
fysiologische en psychologische stimuli. Dysregulatie van deze as kan komen door genetische
factoren, early-life omgeving en early-life stress. Verstoring van de HPA-as is een veelvoorkomend
biologisch kenmerk van major depressive disorder, waarbij verhoogde niveaus van cortisol een rol
spelen. Cortisol kan als biomarker gebruikt worden voor major depressive disorder (voorspeller). Het
is nog onduidelijk of het direct aanpakken van de HPA-as de stoornis kan verbeteren.
Ontsteking
Er is bewijs voor de rol van ontsteking in major depressive disorder. Ook verhogen eerdere ernstige
infectie en auto-immuunziekten het risico op major depressive disorder. Pro-ontstekingsmedicatie kan
depressieve symptomen opwekken, terwijl anti-ontstekingsmedicatie depressieve symptomen kan
verbeteren.
Bij mensen met major depressive disorder zijn er aanwijzingen voor ontstekingsprocessen in de
hersenen. Studies tonen verhoogde ontstekingsmarkers aan, zoals translocator protein en TNF. Deze
ontsteking komt vooral voor in de anterior cingulate en prefrontale cortex, maar resultaten zijn niet
altijd eenduidig. De ontstekingen kunnen hersenfuncties verstoren, zoals neurogenesis, en kunnen
buiten de hersenen invloed uitoefenen via bijvoorbeeld de bloed-hersenbarrière.
Darmflora-as
De bidirectionele relatie tussen de darmflora en centrale zenuwstelsel kan betrokken zijn bij major
depressive disorder. Darmbacteriën spelen een rol bij de modulatie van ontstekingspaden en directe
signalering naar het centrale zenuwstelsel via de nervus vagus. Deze paden zijn gerelateerd aan major
depressive disorder. Muizen zonder bacteriën lieten minder depressief gedrag zien.
Mensen met major depressive disorder laten verschillen zien in samenstelling van de darmflora. Zo
belemmeren lagere niveaus van Coprococcus-bacteriën bijvoorbeeld de productie van vetzuren, wat
een antidepressieve werking kan hebben bij muizen. Darmflora-gerichte interventies kunnen major
depressive disorder aanpakken.