THEMA 1
INTRODUCTIE
Het zenuwstelsel helpt het lichaam bewegen en werkt stap
voor stap. Het zorgt ervoor dat je lichaam kan
waarnemen, denken en reageren. Het bestaat uit het
centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg =
controlecentrum) en het perifere zenuwstelsel (alle
zenuwen).
Visuele informatie komt binnen, de hersenen plannen een
bewegingen (bijv. een mok pakken), het ruggenmerg
stuurt de bewegingen aan, motorische zenuwcellen
brengen het bericht naar de spieren, sensorische
receptoren geven door dat de mok is vastgepakt, het
ruggenmerg brengt sensorische informatie naar de
hersenen, basale ganglia beoordelen de kracht van het vastgrijpen en het cerebellum corrigeert
bewegingsfouten, en de sensorische cortex ontvangt een bericht dat de mok vastgegrepen is.
, BEWEGING INITIËREN (NEOCORTEX)
Vier neocorticale gebieden:
1. Posterieure cortex (posterior cortex) + somatosensorische cortex
o Bepaalt bewegingsdoelen
o Zintuigelijke verwerking (waarneming interpreteren) → somatosensorische cortex
o Stuurt sensorische informatie naar frontale gebieden (visie, aanraking, gehoor)
2. Prefrontale cortex (prefrontal cortex)
o Maakt bewegingsplannen (doelgericht gedrag)
o Geeft bewegingsplannen door aan premotorische en primaire motorische cortex
3. Premotorische cortex (premotor cortex)
o Herkent en selecteert acties (bepaalt welke beweging nodig is)
o Coördinatie van complexe motorische handelingen (organiseert bewegingssequenties)
4. Primaire motorische cortex (primary motor cortex) = M1
o Maakt eenvoudige bewegingen
o Directe aansturing van spieren via motorische signalen
o Voert vrijwillige bewegingen uit
Visuele
cortex
Hoe complexer de beweging wordt, hoe meer hersengebieden
erbij betrokken zijn (4 → 3 → 2 → 1).
Gebied Type beweging Voorbeeld
Posterieure cortex Sensorische voorbereiding en Je ziet een glas water en
planning (bewegingen plannen berekent waar je hand naartoe
op basis van zintuigen) moet bewegen
Prefrontale cortex Doelgerichte en strategische Besluiten dat je dorst hebt en
planning (wat en wanneer doe het glas wil pakken
je iets)
Premotorische cortex Bewegingsvoorbereiding en Je hand richten en
coördinatie voorbereiden om het glas vast
(bewegingssequenties) te pakken
Primaire motorische cortex Uitvoering van vrijwillige Je arm uitstrekken en het glas
bewegingen (spieren aansturen) daadwerkelijk vastpakken
,Grijpbeweging: visuele cortex → parietale cortex →
premotorische cortex → spieren.
Dit laat zien dat de parietale kwab ook bewegingen kan
oproepen, en dat de parietale kwab en frontale kwab sterk
verbonden zijn.
BEWEGINGSLEXICON
Het bewegingslexicon verwijst naar een soort intern archief in de hersenen
waarin bekende, gecoördineerde bewegingen zijn opgeslagen. Het is een
netwerk in de hersenen dat bewegingen herkent, plant en organiseert. Het
bestaat voornamelijk in de posterieure parietale cortex, prefrontale cortex
en premotorische cortex.
De pincer grip bevindt zich in het bewegingslexicon. Deze grip verschijnt
vroeg in de ontwikkeling en wordt steeds preciezer (combinatie van vooraf
georganiseerde neurale patronen en aangeleerd worden). Wanneer het
brein deze specifieke beweging niet kan uitvoeren door schade, gaat het
brein over op een alternatief bewegingspatroon (bijv. whole-hand grip).
Hersengebied Acties Laesies
Premotorische cortex Complexe, gecoördineerde Verstoren bewegingen zonder
acties spierzwakte, bijv. beide handen
coördineren
Primaire motorische cortex Specifieke spierbewegingen Specifieke spierbewegingen
worden beïnvloed
SPIEGELNEURONEN
Spiegelneuronen zijn een speciaal type hersencellen die zowel
actief worden wanneer je zelf een beweging uitvoert als wanneer
je iemand anders dezelfde beweging ziet uitvoeren. Deze
neuronen coderen het doel van een actie.
• Specifieke spiegelneuronen (bijv. alleen op bepaalde
greep reageren).
• Algemene spiegelneuronen (bijv. ook reageren wanneer
de exacte beweging verandert).
De spiegelneuronen bevinden zich bij mensen vooral in de posterieure parietale cortex en
premotorische cortex. Ze reageren op het doel van een actie, niet op de beweging zelf. Ze worden
actief als bijvoorbeeld voedsel wordt gepakt, ook met hulpmiddelen of verborgen achter een scherm.
Zo helpen ze bij het begrijpen en flexibel uitvoeren van doelgerichte handelingen.
, HERSENSTAM
De hersenstam stuurt gehele lichaamsbewegingen aan (versus fijne,
doelgerichte bewegingen van de neocortex). Het is cruciaal voor
vitale, automatische lichaamsfuncties, zoals ademhaling, hartslag,
bloeddruk en slikken.
Basale ganglia zijn een groep subcorticale kernen in het voorbrein. Deze groep verbindt de motorische
cortex met het middenbrein en sensorische gebieden. De kernen helpen bij het regelen en soepel laten
verlopen van bewegingen, bijv. het toestaan of afwijzen van bewegingssignalen.
• Striatum (caudate nucleus + putamen): ontvangt informatie van hersenschors en helpt kiezen
welke beweging start.
• Globus pallidus: remt of laat bewegingen door, belangrijk bij balans en vloeiende motoriek.
• Substantia nigra: gebruikt dopamine om bewegingen soepel te maken en starten makkelijker te
maken, remt ongewenste bewegingen.
• Subthalamic nucleus: activeert remmechanismen, helpt ongewenste bewegingen te
onderdrukken.
• Ventral pallidum: betrokken bij motivatie en beloning, beïnvloedt initiëren van bewegingen.
Substantia nigra (beweging soepel maken) → caudate (beweging kiezen) → thalamus (schakelstation
en stuurt informatie naar cortex) → cortex (motorische gebieden = planning en uitvoering) →
beweging.
Schade aan de basale ganglia:
• Hyperkinetisch: cellen van basale ganglia worden beschadigd → te veel beweging
(Huntingtons disease, tics bij Tourette).
• Hypokinetisch: cellen van basale ganglia werken, maar de input is beschadigd → te weinig
beweging (Parkinsons disease).
Het cerebellum zorgt dat bewegingen soepel en precies zijn (coördinatie), en helpt met balans en
houding. Het corrigeert en verfijnt bewegingen op basis van feedback van spieren en gewrichten. Het
vergelijkt bedoelde beweging met werkelijke beweging, berekent de fout en stuurt correcties terug
naar de cortex. Daarnaast helpt het cerebellum bij het samenvoegen van bewegingen (bijv. grijpen en
reiken). Bovendien is het belangrijk bij bewegings-timing en nauwkeurigheid, denk aan ritme en
precisietests (darten).