Samenvatting loso e
Sectie 1: Plato’s ideeënleer
Hoofdbegrippen
1. Dualistisch wereldbeeld
2. Materiële vs Ideeënwereld
3. Wat is een Idee (= eidos)?
4. Allegorie van de grot
5. Waarom bestaan ideeën volgens Plato
6. Echte kennis vs mening
7. Mensbeeld: lichaam en ziel
8. Anamnese (leren = herinneren)
Plato en Chora
Gewone meningen zijn niet betrouwbaar, omdat ze afhangen van wat iemand denkt of ziet, maar wat iemand denkt of ziet
wordt constant beïnvloed door de wereld die verandert
—> Socrates zegt: echte kennis is kennis die altijd en voor iedereen waar is, ze is vast en onveranderlijk, en je kan ze
bekomen door na te denken (= rationeel inzicht), je kan de essentie van dingen begrijpen
—> essentie = wat iets echt maakt tot wat het is
—> Plato bouwt hierop verder en maakt volledige loso e over hoe de wereld in elkaar zit, hij probeert ruimte/
ruimtelijkheid (= Chora) te begrijpen en is daarmee een invloedrijke losoof in de westerse wereld
—> Chora = de ruimte of plaats waarin dingen kunnen ontstaan en bestaan, het is een soort ruimte of drager waarin alles
in de materiële wereld verschijnt
Plato’s Ideeënleer
1. Dualistisch wereldbeeld
Plato denkt dat er twee werelden bestaan
- de materiële wereld (wat we zien)
- de ideeënwereld (wat we met ons verstand begrijpen)
2. De materiële wereld
Bestaat uit alle zaken die we kunnen waarnemen met onze zintuigen (voelen, ruiken, horen, zien, proeven), ze zijn ooit
ontstaan, ze hebben een tijdelijk karakter want ooit waren ze er nog niet) en ze zijn veranderlijk
—> bv bloemen, paarden, zandkorrels, wolken, aardbeien, …
—> sensibilia = senses, zintuigen
3. De Ideeënwereld
Wat we met ons verstand begrijpen, het inzicht dat we hebben, onze ziel, je ziet niet wat de vierkantswortel van 10000
is, je weet dat, je kan weten wat een paard is, zonder het voor je te moeten zien
—> het idee (eidos) = voor alle soorten objecten bestaat een idee, het beeld van iets (bv paard), ze bevatten de
essentie van iets, bv datgene wat een paard tot paard maakt, het is niet veranderlijk
—> het gaat over jouw vermogen om die idee te aanschouwen, niet het idee dat je in jouw gedachten zelf gevormd hebt
—> het is niet vergankelijk, want het heeft per de nitie ook nooit ‘bestaan’, zelfs als alle kopieën bv alle paarden
uitsterven, blijft de Idee paard bestaan, ideeën zijn daarom hogere realiteit
—> de materiele dingen zijn ‘afbeeldingen’ van de Idee, er zijn meerdere kopieën/exemplaren
—> intelligibili = intelligibel, begrijpbaar, intelligent
Om duidelijk te maken dat we ons vergissen wanner we spontaan het materiële beschouwen als het meest werkelijke,
bestaat Plato’s theorie van de Allegorie van de Grot
4. Allegorie van de Grot
Stel: een groep mensen zit vanaf geboorte vastgeketend in een grot met rug naar de opening, het enige wat ze zien is de
schaduw van de voorwerpen die aan de ingang passeren, ze zien dat als ‘enige echte realiteit. wanneer iemand bevrijdt
wordt en de echte voorwerpen ziet, zal die nooit meer opnieuw kunnen denken dat de schaduw de realiteit is, want het is
een afspiegeling, een kopie van het idee (het voorwerp)
—> Plato wil aantonen dat wij als mensen veel te snel ‘de werkelijkheid’ aannemen met onze zintuigen, maar dat die
‘werkelijkheid’ slechts een afschaduwing is van de ware realiteit
5. Waarom bestaan ideeën volgens Plato?
Ideeën bestaan zodat we algemene waarheden kennen. De stelling dat het wezen ‘paard’ een soort onveranderlijke essentie
is die altijd heeft bestaan lijkt toch in te gaan tegen de ontwikkeling van dierlijke soorten zoals die beschreven staat in
Darwins evolutietheorie, daarom gebruiken wij een ander voorbeeld: de driehoek
—> de soms van de hoeken van een driehoek is altijd 180°, dat geldt voor elke driehoek en dat is de essentie van een
driehoek. je kan dat weten, zonder het toe moeten meten
—> zelfs als elke waarneembare driehoek verdwijnt, is het wezen van een driehoek niet onderhevig aan verval
fi fi fi
fi fi fi
, - de materiële wereld: alle mogelijke tekeningen van driehoeken die ooit bestaan hebben, bestaan of zullen bestaan, ze
zijn waarneembaar, ruimtelijk, veranderlijk en tijdelijk gesitueerd
- de ideeënwereld: het wezen van de driehoek, het is tijdloos, onveranderlijk, inzichtelijk, maar niet zichtbaar met je
ogen
Smurfen bestaan niet zoals eekhoorn, maar hun bestaan is ook weer verschillend van het bestaan van de entiteiten
waarover het gaat in de meetkunde. Peyo heeft de smurfen bedacht in brussel, niet ontdekt in brussel
—> ze hebben een ‘ ctief bestaan’, meetkundige dingen zijn ‘ideëel’
Het wezen van de natuur = waarneembare verschijnselen zouden bepaalde natuurwetten volgen, die natuurwetten zijn een
soort ideële, wiskundige uit te drukken regels die voorafgaan aan de dingen en ten grondslag liggen aan onze materiële
wereld
—> ook god is een andere manier om te erkennen dat sommige zaken van een andere aard lijken te zijn dan de materiële
dingen die voortdurend in verandering zijn
Plato zijn ontologische visie komt voort uit een epistemologische kwestie
—> ontologie = zijnsleer, de studie van wat bestaat en wat het betekent om te ‘zijn’
—> epistemologie = kennisleer, wat is kennis en hoe kunnen we iets weten
—> Ideeën moeten wel bestaan, want de mens is in staat om uitspraken te doen over bepaalde dingen (bv kippen), maar
zowel de mens als die materiële dingen zijn contingent (= ze hadden even goed niet kunnen bestaan), er moet dus wel
iets anders zijn dat ‘bestaat’ om de uitspraak over te doen, namelijk de Idee
—> de Ideeën moeten wel bestaan om te verklaren dat wij als contingente wezens in staat zijn tot echte universele
kennis
6. Echte kennis vs mening
Echte kennis (episteme) = universeel (altijd en overal) geldig, onveranderlijk en heeft dus betrekking op de Ideeën
—> Ideeën zijn voor iedereen hetzelfde, echte kennis dus ook
Meningen (doxa) = overtuigingen gebonden aan een beperkt perspectief, ontstaan vanuit de zintuigelijke kennis, enkel jij
ziet dit vanuit jouw perspectief
7. Mensbeeld: lichaam en ziel
Plato’s mensbeeld is ook dualistisch
- de mens heeft een materieel lichaam, wat een vergankelijk deel is van de veranderlijke materiële wereld
- de mens heeft een ziel, een redelijk inzicht en is bv in staat inzicht te verkrijgen in het wezen van een driehoek
indien de mens voorbij de waarneembare tekening doordringt tot de Idee
—> ons vermogen om onveranderlijke, eeuwig essenties te vatten, is zelf eveneens onveranderlijk en eeuwig, de ziel
kan niet vergaan en komt uit een andere zuivere ideële dimensie
Hoe komt het dan dat de mens niet gewoon alles weet en soms domme dingen zegt en doet?
- omdat de mens is ontstaan uit het samenkomen van een ziel en een materieel lichaam, dat lichaam brengt
onvermijdelijk een tijdelijk en ruimtelijk bepaald gezichtspunt met zich mee, waardoor je soms ‘foute’ overtuigingen
hebt en niet alles meteen in-ziet
—> sôma sèma = het lichaam als graf (voor de ziel), het lichaam beperkt dus het zuivere leven van de ziel
8. Anamnese (leren = herinneren)
Het verlangen naar wijsheid ( lo-so a) = het verlangen van de ziel om zich los te maken van het beperkende lichaam
—> wanneer we als mens iets te weten komen/iets leren, is dat volgens Plato onze ziel die zich iets herinnert, dat ze in
principe al wist
—> anamnese = wederherinnering
—> vb van slaaf die ongeschoold is, maar met de juiste begeleiding toch tot het antwoord komt, omdat de ziel het
antwoord al ‘weet’
Een losoof = niet degene die het allemaal weet, maar degene die door precieze vragen te stellen anderen tot inzicht
brengt en hun zodoende op het punt brengt waar ze hun beperkte, persoonlijke meningen vrijwillig loslaten en inruilen
voor echte kennis.
fi fi fi fi
Sectie 1: Plato’s ideeënleer
Hoofdbegrippen
1. Dualistisch wereldbeeld
2. Materiële vs Ideeënwereld
3. Wat is een Idee (= eidos)?
4. Allegorie van de grot
5. Waarom bestaan ideeën volgens Plato
6. Echte kennis vs mening
7. Mensbeeld: lichaam en ziel
8. Anamnese (leren = herinneren)
Plato en Chora
Gewone meningen zijn niet betrouwbaar, omdat ze afhangen van wat iemand denkt of ziet, maar wat iemand denkt of ziet
wordt constant beïnvloed door de wereld die verandert
—> Socrates zegt: echte kennis is kennis die altijd en voor iedereen waar is, ze is vast en onveranderlijk, en je kan ze
bekomen door na te denken (= rationeel inzicht), je kan de essentie van dingen begrijpen
—> essentie = wat iets echt maakt tot wat het is
—> Plato bouwt hierop verder en maakt volledige loso e over hoe de wereld in elkaar zit, hij probeert ruimte/
ruimtelijkheid (= Chora) te begrijpen en is daarmee een invloedrijke losoof in de westerse wereld
—> Chora = de ruimte of plaats waarin dingen kunnen ontstaan en bestaan, het is een soort ruimte of drager waarin alles
in de materiële wereld verschijnt
Plato’s Ideeënleer
1. Dualistisch wereldbeeld
Plato denkt dat er twee werelden bestaan
- de materiële wereld (wat we zien)
- de ideeënwereld (wat we met ons verstand begrijpen)
2. De materiële wereld
Bestaat uit alle zaken die we kunnen waarnemen met onze zintuigen (voelen, ruiken, horen, zien, proeven), ze zijn ooit
ontstaan, ze hebben een tijdelijk karakter want ooit waren ze er nog niet) en ze zijn veranderlijk
—> bv bloemen, paarden, zandkorrels, wolken, aardbeien, …
—> sensibilia = senses, zintuigen
3. De Ideeënwereld
Wat we met ons verstand begrijpen, het inzicht dat we hebben, onze ziel, je ziet niet wat de vierkantswortel van 10000
is, je weet dat, je kan weten wat een paard is, zonder het voor je te moeten zien
—> het idee (eidos) = voor alle soorten objecten bestaat een idee, het beeld van iets (bv paard), ze bevatten de
essentie van iets, bv datgene wat een paard tot paard maakt, het is niet veranderlijk
—> het gaat over jouw vermogen om die idee te aanschouwen, niet het idee dat je in jouw gedachten zelf gevormd hebt
—> het is niet vergankelijk, want het heeft per de nitie ook nooit ‘bestaan’, zelfs als alle kopieën bv alle paarden
uitsterven, blijft de Idee paard bestaan, ideeën zijn daarom hogere realiteit
—> de materiele dingen zijn ‘afbeeldingen’ van de Idee, er zijn meerdere kopieën/exemplaren
—> intelligibili = intelligibel, begrijpbaar, intelligent
Om duidelijk te maken dat we ons vergissen wanner we spontaan het materiële beschouwen als het meest werkelijke,
bestaat Plato’s theorie van de Allegorie van de Grot
4. Allegorie van de Grot
Stel: een groep mensen zit vanaf geboorte vastgeketend in een grot met rug naar de opening, het enige wat ze zien is de
schaduw van de voorwerpen die aan de ingang passeren, ze zien dat als ‘enige echte realiteit. wanneer iemand bevrijdt
wordt en de echte voorwerpen ziet, zal die nooit meer opnieuw kunnen denken dat de schaduw de realiteit is, want het is
een afspiegeling, een kopie van het idee (het voorwerp)
—> Plato wil aantonen dat wij als mensen veel te snel ‘de werkelijkheid’ aannemen met onze zintuigen, maar dat die
‘werkelijkheid’ slechts een afschaduwing is van de ware realiteit
5. Waarom bestaan ideeën volgens Plato?
Ideeën bestaan zodat we algemene waarheden kennen. De stelling dat het wezen ‘paard’ een soort onveranderlijke essentie
is die altijd heeft bestaan lijkt toch in te gaan tegen de ontwikkeling van dierlijke soorten zoals die beschreven staat in
Darwins evolutietheorie, daarom gebruiken wij een ander voorbeeld: de driehoek
—> de soms van de hoeken van een driehoek is altijd 180°, dat geldt voor elke driehoek en dat is de essentie van een
driehoek. je kan dat weten, zonder het toe moeten meten
—> zelfs als elke waarneembare driehoek verdwijnt, is het wezen van een driehoek niet onderhevig aan verval
fi fi fi
fi fi fi
, - de materiële wereld: alle mogelijke tekeningen van driehoeken die ooit bestaan hebben, bestaan of zullen bestaan, ze
zijn waarneembaar, ruimtelijk, veranderlijk en tijdelijk gesitueerd
- de ideeënwereld: het wezen van de driehoek, het is tijdloos, onveranderlijk, inzichtelijk, maar niet zichtbaar met je
ogen
Smurfen bestaan niet zoals eekhoorn, maar hun bestaan is ook weer verschillend van het bestaan van de entiteiten
waarover het gaat in de meetkunde. Peyo heeft de smurfen bedacht in brussel, niet ontdekt in brussel
—> ze hebben een ‘ ctief bestaan’, meetkundige dingen zijn ‘ideëel’
Het wezen van de natuur = waarneembare verschijnselen zouden bepaalde natuurwetten volgen, die natuurwetten zijn een
soort ideële, wiskundige uit te drukken regels die voorafgaan aan de dingen en ten grondslag liggen aan onze materiële
wereld
—> ook god is een andere manier om te erkennen dat sommige zaken van een andere aard lijken te zijn dan de materiële
dingen die voortdurend in verandering zijn
Plato zijn ontologische visie komt voort uit een epistemologische kwestie
—> ontologie = zijnsleer, de studie van wat bestaat en wat het betekent om te ‘zijn’
—> epistemologie = kennisleer, wat is kennis en hoe kunnen we iets weten
—> Ideeën moeten wel bestaan, want de mens is in staat om uitspraken te doen over bepaalde dingen (bv kippen), maar
zowel de mens als die materiële dingen zijn contingent (= ze hadden even goed niet kunnen bestaan), er moet dus wel
iets anders zijn dat ‘bestaat’ om de uitspraak over te doen, namelijk de Idee
—> de Ideeën moeten wel bestaan om te verklaren dat wij als contingente wezens in staat zijn tot echte universele
kennis
6. Echte kennis vs mening
Echte kennis (episteme) = universeel (altijd en overal) geldig, onveranderlijk en heeft dus betrekking op de Ideeën
—> Ideeën zijn voor iedereen hetzelfde, echte kennis dus ook
Meningen (doxa) = overtuigingen gebonden aan een beperkt perspectief, ontstaan vanuit de zintuigelijke kennis, enkel jij
ziet dit vanuit jouw perspectief
7. Mensbeeld: lichaam en ziel
Plato’s mensbeeld is ook dualistisch
- de mens heeft een materieel lichaam, wat een vergankelijk deel is van de veranderlijke materiële wereld
- de mens heeft een ziel, een redelijk inzicht en is bv in staat inzicht te verkrijgen in het wezen van een driehoek
indien de mens voorbij de waarneembare tekening doordringt tot de Idee
—> ons vermogen om onveranderlijke, eeuwig essenties te vatten, is zelf eveneens onveranderlijk en eeuwig, de ziel
kan niet vergaan en komt uit een andere zuivere ideële dimensie
Hoe komt het dan dat de mens niet gewoon alles weet en soms domme dingen zegt en doet?
- omdat de mens is ontstaan uit het samenkomen van een ziel en een materieel lichaam, dat lichaam brengt
onvermijdelijk een tijdelijk en ruimtelijk bepaald gezichtspunt met zich mee, waardoor je soms ‘foute’ overtuigingen
hebt en niet alles meteen in-ziet
—> sôma sèma = het lichaam als graf (voor de ziel), het lichaam beperkt dus het zuivere leven van de ziel
8. Anamnese (leren = herinneren)
Het verlangen naar wijsheid ( lo-so a) = het verlangen van de ziel om zich los te maken van het beperkende lichaam
—> wanneer we als mens iets te weten komen/iets leren, is dat volgens Plato onze ziel die zich iets herinnert, dat ze in
principe al wist
—> anamnese = wederherinnering
—> vb van slaaf die ongeschoold is, maar met de juiste begeleiding toch tot het antwoord komt, omdat de ziel het
antwoord al ‘weet’
Een losoof = niet degene die het allemaal weet, maar degene die door precieze vragen te stellen anderen tot inzicht
brengt en hun zodoende op het punt brengt waar ze hun beperkte, persoonlijke meningen vrijwillig loslaten en inruilen
voor echte kennis.
fi fi fi fi