Je kan in grote lijnen – aangeven wat het omgevingsrecht inhoudt en
wat het beoogt
Bij het begrip fysieke leefomgeving spelen de aspecten veiligheid en gezondheid
een centrale rol. Het begrip heeft ook een specifieke juridische betekenis. Het
bepaalt de reikwijdte van de Omgevingswet (Ow), waarin veel regels over de
fysieke leefomgeving zijn gebundeld. Zo is in het eerste artikel van de Ow
bepaald dat deze wet gaat over ‘de fysieke leefomgeving’ (sub a) en ‘de
activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving
(sub b). Wanneer geen sprake is van een fysieke leefomgeving, dan is de Ow dus
niet van toepassing. De wetgever heeft een opsomming opgenomen van
onderdelen die in elk geval onder de fysieke leefomgeving vallen. Met deze
opsomming probeert de wetgever discussies over het toepassingsbereik van de
wet te voorkomen.
Artikel 1.2 Ow (fysieke leefomgeving)
De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:
a. Bouwwerken,
b. Infrastructuur,
c. Water,
d. Watersystemen,
e. Bodem,
f. Lucht,
g. Landschappen,
h. Natuur,
i. Cultureel erfgoed,
j. Werelderfgoed.
In de opsomming van datgene wat de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat
worden twee hoofdonderdelen van de fysieke leefomgeving onderscheiden: de
natuurlijke omgeving en de gebouwde omgeving. De natuurlijke omgeving
behoort geheel tot de fysieke leefomgeving. Met lucht wordt gedoeld op zowel
(de kwaliteit van) de buitenlucht als de binnenlucht in bouwwerken. Onder
natuur worden in ieder geval in het wild levende planten en dieren gerekend,
maar ook aangeplante bomen en andere vaste planten. Of een door de mens
gerealiseerd object tot de fysieke leefomgeving behoort, is deels afhankelijk van
maatschappelijke opvattingen. Van belang is vooral de mate waarin iets bestemd
is om zich meerjarig op dezelfde plaats te bevinden. Een gebouw, een
standbeeld of een woonboot moet op grond hiervan worden gerekend tot de
fysieke leefomgeving, maar voertuigen en gehouden dieren niet. Op basis van de
Ow kunnen wel regels worden opgesteld over het uiterlijk van bouwwerken, maar
niet over de inrichting van die bouwwerken (inpandig meubilair).
De Ow regelt geen directe betrekkingen tussen mensen. De fysieke leefomgeving
vormt de schakel tussen activiteiten van mensen of bedrijven die gevolgen
hebben voor anderen. Zo valt de luchtverontreiniging als gevolg van het verkeer
1
,wel onder het toepassingsgebied van de Omgevingswet, maar regels over het
verkeersgedrag niet.
Je weet wat de overeenkomsten zijn tussen het vroegere
omgevingsrecht en het huidige omgevingsrecht
Sinds 1965 wordt via de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) geregeld welke
bestemmingen gronden hebben, hoe ruimtelijke plannen opgesteld en gewijzigd
worden en welke taken en verantwoordelijkheden het verschillend bevoegd
gezag heeft. In 2008 werd de WRO vervangen door de Wet ruimtelijke ordening
(Wro). De Wro introduceerde nieuwe instrumenten en bracht wijzigingen aan in
de bevoegdheidsverdeling tussen het Rijk, de provincie en gemeenten. Het
uitgangspunt werd ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’: wanneer taken op
doelmatige en doeltreffende wijze door gemeenten kunnen worden uitgevoerd,
dan dienen deze taken niet door de provincie of het Rijk te worden uitgevoerd.
Met de komst van de Ow in 2022 wordt gesproken van een stelselwijziging. Een
belangrijke verschuiving is die van het huidige art. 3.1 van de Wet ruimtelijke
ordening naar art. 4.1 van de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat niet slechts
regels mogen worden gesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening,
maar dat regels mogen worden gesteld die betrekking hebben op de fysieke
leefomgeving.
Je kan - in grote lijnen – aangeven wat de zogenaamde
kerninstrumenten uit het huidige omgevingsrecht zijn en wat deze
beogen
Het hoofdspoor van de Omgevingswet bestaat uit de Omgevingswet zelf, vier
algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en de Omgevingsregeling. De
AMvB’s werken de Omgevingswet uit in praktische regels.
De Omgevingswet is uitgewerkt in vier AMvB’s:
1. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
2. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);
4. Omgevingsbesluit.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bedoeld voor gemeenten, provincies
en andere overheidsorganen. In dit besluit staan regels die overheidsorganen
moeten toepassen bij hun taken op het gebied van milieu, zoals geur en geluid,
instrumenten en monitoring.
Het Bkl bevat omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van
oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. Voor de luchtkwaliteit gaat het
bijvoorbeeld om de aanwezigheid van stoffen zoals zwaveldioxide of fijnstof,
waarvoor afzonderlijke omgevingswaarden zijn gesteld. Het besluit regelt ook of
gemeenten of provincies omgevingswaarden mogen vaststellen die afwijken van
2
, de omgevingswaarden van het Rijk. Daarnaast bevat het Bkl regels voor
instrumenten, zoals omgevingsvergunningen en omgevingsplannen. Deze regels
worden instructieregels genoemd. Tot slot bevat het besluit regels over
monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens,
kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving. Deze regels
hebben betrekking op de onderdelen waterkwaliteit, externe veiligheid,
luchtkwaliteit en het behoud van cultureel erfgoed.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is bedoeld voor inwoners, bedrijven en
overheden die activiteiten uitvoeren. Bij activiteiten kan bijvoorbeeld gedacht
worden aan het lozen van afvalwater, het bewerken van drinkwater of het
vervaardigen van metaalproducten of cosmetica. Voor deze activiteiten kunnen
algemene regels gelden, maar het is ook mogelijk dat voor deze activiteiten een
vergunningplicht geldt. Door een vergunningplicht kan het bevoegd gezag
(blijven) controleren of een bedrijf zich aan de regels houdt. Naast de algemene
regels en de vergunningplicht kan het bevoegd gezag ook
maatwerkvoorschriften stellen. Dit zijn voorschriften die een uitzondering
vormen op de algemene regels. Deze regels helpen om passende regels te
kunnen formuleren, gelet op de lokale omstandigheden. Een voorbeeld van een
maatwerkvoorschrift is wanneer een bedrijf toestemming krijgt om meer
koelwater te lozen dan op basis van de algemene regels is toegestaan. Het Bal
geeft dus aan voor welke activiteiten het Rijk regels stelt, en wanneer voor
activiteiten algemene regels of juist een vergunningplicht geldt. Daarnaast wordt
in het Bal aangegeven welk bevoegd gezag meldingen kan behandelen of
maatwerkvoorschriften kan stellen.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat regels over de veiligheid,
duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Ook zijn regels opgenomen
over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw-
en sloopwerkzaamheden. In het besluit komt voor een aantal activiteiten een
specifieke zorgplicht voor. Een specifieke zorgplicht heeft als doel ervoor te
zorgen dat degene die een activiteit verricht er alles aan doet om negatieve
gevolgen voor het milieu te voorkomen. De specifieke zorgplicht legt daarmee
veel verantwoordelijkheid neer bij de initiatiefnemer. Een voorbeeld van een
specifieke zorgplicht is dat een bedrijf niet méér afvalwater mag lozen op het
vuilwaterriool dan het riool aankan. Hoeveel het bedrijf mag lozen is dus
afhankelijk van de capaciteit van het riool. Dit kan per locatie sterk verschillen.
Vanwege deze zorgplicht zal het bedrijf zelf moeten onderzoeken wat de
capaciteit van het riool is.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit is bedoeld voor alle partijen die actief zijn in de fysieke
leefomgeving: inwoners, bedrijven en de overheid. In het besluit zijn met name
procedureregels opgenomen. Zo bevat het Omgevingsbesluit regels over welk
bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen
en welke procedures gelden. Ook regelt het besluit wat de rol is van andere
3
wat het beoogt
Bij het begrip fysieke leefomgeving spelen de aspecten veiligheid en gezondheid
een centrale rol. Het begrip heeft ook een specifieke juridische betekenis. Het
bepaalt de reikwijdte van de Omgevingswet (Ow), waarin veel regels over de
fysieke leefomgeving zijn gebundeld. Zo is in het eerste artikel van de Ow
bepaald dat deze wet gaat over ‘de fysieke leefomgeving’ (sub a) en ‘de
activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving
(sub b). Wanneer geen sprake is van een fysieke leefomgeving, dan is de Ow dus
niet van toepassing. De wetgever heeft een opsomming opgenomen van
onderdelen die in elk geval onder de fysieke leefomgeving vallen. Met deze
opsomming probeert de wetgever discussies over het toepassingsbereik van de
wet te voorkomen.
Artikel 1.2 Ow (fysieke leefomgeving)
De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval:
a. Bouwwerken,
b. Infrastructuur,
c. Water,
d. Watersystemen,
e. Bodem,
f. Lucht,
g. Landschappen,
h. Natuur,
i. Cultureel erfgoed,
j. Werelderfgoed.
In de opsomming van datgene wat de fysieke leefomgeving in ieder geval omvat
worden twee hoofdonderdelen van de fysieke leefomgeving onderscheiden: de
natuurlijke omgeving en de gebouwde omgeving. De natuurlijke omgeving
behoort geheel tot de fysieke leefomgeving. Met lucht wordt gedoeld op zowel
(de kwaliteit van) de buitenlucht als de binnenlucht in bouwwerken. Onder
natuur worden in ieder geval in het wild levende planten en dieren gerekend,
maar ook aangeplante bomen en andere vaste planten. Of een door de mens
gerealiseerd object tot de fysieke leefomgeving behoort, is deels afhankelijk van
maatschappelijke opvattingen. Van belang is vooral de mate waarin iets bestemd
is om zich meerjarig op dezelfde plaats te bevinden. Een gebouw, een
standbeeld of een woonboot moet op grond hiervan worden gerekend tot de
fysieke leefomgeving, maar voertuigen en gehouden dieren niet. Op basis van de
Ow kunnen wel regels worden opgesteld over het uiterlijk van bouwwerken, maar
niet over de inrichting van die bouwwerken (inpandig meubilair).
De Ow regelt geen directe betrekkingen tussen mensen. De fysieke leefomgeving
vormt de schakel tussen activiteiten van mensen of bedrijven die gevolgen
hebben voor anderen. Zo valt de luchtverontreiniging als gevolg van het verkeer
1
,wel onder het toepassingsgebied van de Omgevingswet, maar regels over het
verkeersgedrag niet.
Je weet wat de overeenkomsten zijn tussen het vroegere
omgevingsrecht en het huidige omgevingsrecht
Sinds 1965 wordt via de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) geregeld welke
bestemmingen gronden hebben, hoe ruimtelijke plannen opgesteld en gewijzigd
worden en welke taken en verantwoordelijkheden het verschillend bevoegd
gezag heeft. In 2008 werd de WRO vervangen door de Wet ruimtelijke ordening
(Wro). De Wro introduceerde nieuwe instrumenten en bracht wijzigingen aan in
de bevoegdheidsverdeling tussen het Rijk, de provincie en gemeenten. Het
uitgangspunt werd ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’: wanneer taken op
doelmatige en doeltreffende wijze door gemeenten kunnen worden uitgevoerd,
dan dienen deze taken niet door de provincie of het Rijk te worden uitgevoerd.
Met de komst van de Ow in 2022 wordt gesproken van een stelselwijziging. Een
belangrijke verschuiving is die van het huidige art. 3.1 van de Wet ruimtelijke
ordening naar art. 4.1 van de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat niet slechts
regels mogen worden gesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening,
maar dat regels mogen worden gesteld die betrekking hebben op de fysieke
leefomgeving.
Je kan - in grote lijnen – aangeven wat de zogenaamde
kerninstrumenten uit het huidige omgevingsrecht zijn en wat deze
beogen
Het hoofdspoor van de Omgevingswet bestaat uit de Omgevingswet zelf, vier
algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en de Omgevingsregeling. De
AMvB’s werken de Omgevingswet uit in praktische regels.
De Omgevingswet is uitgewerkt in vier AMvB’s:
1. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
2. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);
4. Omgevingsbesluit.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bedoeld voor gemeenten, provincies
en andere overheidsorganen. In dit besluit staan regels die overheidsorganen
moeten toepassen bij hun taken op het gebied van milieu, zoals geur en geluid,
instrumenten en monitoring.
Het Bkl bevat omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van
oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. Voor de luchtkwaliteit gaat het
bijvoorbeeld om de aanwezigheid van stoffen zoals zwaveldioxide of fijnstof,
waarvoor afzonderlijke omgevingswaarden zijn gesteld. Het besluit regelt ook of
gemeenten of provincies omgevingswaarden mogen vaststellen die afwijken van
2
, de omgevingswaarden van het Rijk. Daarnaast bevat het Bkl regels voor
instrumenten, zoals omgevingsvergunningen en omgevingsplannen. Deze regels
worden instructieregels genoemd. Tot slot bevat het besluit regels over
monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens,
kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving. Deze regels
hebben betrekking op de onderdelen waterkwaliteit, externe veiligheid,
luchtkwaliteit en het behoud van cultureel erfgoed.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is bedoeld voor inwoners, bedrijven en
overheden die activiteiten uitvoeren. Bij activiteiten kan bijvoorbeeld gedacht
worden aan het lozen van afvalwater, het bewerken van drinkwater of het
vervaardigen van metaalproducten of cosmetica. Voor deze activiteiten kunnen
algemene regels gelden, maar het is ook mogelijk dat voor deze activiteiten een
vergunningplicht geldt. Door een vergunningplicht kan het bevoegd gezag
(blijven) controleren of een bedrijf zich aan de regels houdt. Naast de algemene
regels en de vergunningplicht kan het bevoegd gezag ook
maatwerkvoorschriften stellen. Dit zijn voorschriften die een uitzondering
vormen op de algemene regels. Deze regels helpen om passende regels te
kunnen formuleren, gelet op de lokale omstandigheden. Een voorbeeld van een
maatwerkvoorschrift is wanneer een bedrijf toestemming krijgt om meer
koelwater te lozen dan op basis van de algemene regels is toegestaan. Het Bal
geeft dus aan voor welke activiteiten het Rijk regels stelt, en wanneer voor
activiteiten algemene regels of juist een vergunningplicht geldt. Daarnaast wordt
in het Bal aangegeven welk bevoegd gezag meldingen kan behandelen of
maatwerkvoorschriften kan stellen.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat regels over de veiligheid,
duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Ook zijn regels opgenomen
over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw-
en sloopwerkzaamheden. In het besluit komt voor een aantal activiteiten een
specifieke zorgplicht voor. Een specifieke zorgplicht heeft als doel ervoor te
zorgen dat degene die een activiteit verricht er alles aan doet om negatieve
gevolgen voor het milieu te voorkomen. De specifieke zorgplicht legt daarmee
veel verantwoordelijkheid neer bij de initiatiefnemer. Een voorbeeld van een
specifieke zorgplicht is dat een bedrijf niet méér afvalwater mag lozen op het
vuilwaterriool dan het riool aankan. Hoeveel het bedrijf mag lozen is dus
afhankelijk van de capaciteit van het riool. Dit kan per locatie sterk verschillen.
Vanwege deze zorgplicht zal het bedrijf zelf moeten onderzoeken wat de
capaciteit van het riool is.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit is bedoeld voor alle partijen die actief zijn in de fysieke
leefomgeving: inwoners, bedrijven en de overheid. In het besluit zijn met name
procedureregels opgenomen. Zo bevat het Omgevingsbesluit regels over welk
bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen
en welke procedures gelden. Ook regelt het besluit wat de rol is van andere
3