Deel I. Redeneren
Hoofdstuk 1: Cognitieve achtergrond
1.1 Mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten
Cognitie: geheel van mentale processen waarmee je informatie
verwerkt
Cognitieve capaciteiten < evolutionaire wortels
Manier van denken
We zijn rationele wezens MAAR we hebben ook een achtegrond
die veel verder terug gaat
Drievuldig brein (triune brain)
Oudste laag: reptielachtig brein
Hersenstam en cerebellum
Spieren, evenwicht, autonome functies
Rigide, obsessief, compulsief gedrag
Tweede laag: oude zoogdierenbrein
Limbisch brein: amygdala, hippocampus, hypothalamus
Emoties, motivatie, stressrespons, geur
+ Leren / geheugen via beloning (hippocampus)
leren is gekoppeld aan emotie (zo leren dieren ook dingen)
Derde laag: recente zoogdierenbrein
Neocortex: cognitie
3 lagen van ons brein die evolutionair tot stand zijn gekomen
Gevolg van evolutionaire wortels van menselijk redeneren:
Manipuleerbaarheid (‘nudging’)
Ook ten goede mensen de goede kant uitsturen
Voorbeeld: nutri-score op voedsel
1.2 Systeem 1- en Systeem 2-denken
Wat bepaalt ons gedrag? Onderscheid tussen Systeem 1 en
Systeem 2-denken
Systeem 1 Systeem 2
snel, intuïtief denken traag, analytisch
Automatisch; vaak onbewust; Vereist inspanning en aandacht:
associatief; geleerde patronen ideeën ordenen, nadenken over
wat te doen
1
, Op basis van snelle indrukken Rekenen, logisch redeneren,
gevaar voor bias! bewuste keuzes
Stuurt meeste van onze Overrulet soms Systeem 1
handelingen en gedrag
Vaardigheden uit reptielen en
limbisch brein
systeem 1 is cruciaal in dagelijkse leven, we zijn continue bezig
met onmidellijke beslissingen te nemen
MAAR hier zitten veel foute beelden tussen!
systeem 2: is wat ons echt onderscheid
Mogelijk om na te denken, lange termijnsdenken, bewuste keuzes
maken, impulscontrole, …
Opgepast: Systeem 1 ≠ emotie; Systeem 2 ≠ rede
emotie en rede in beide systemen
Systeem 1: lezen en autorijden: patroonherkenning, taalintuïtie,
routinehandelingen, automatische vaardigheden
Systeem 2: rationeel omgaan met frustratie: emotie beheersen,
impulscontrole, plannen
verschil = snelheid en mate van controle en inspanning, niet
“gevoel vs verstand”
Overgang van Systeem 2 naar Systeem 1
Inslijting – rol van ervaring
Keerzijde: curse of knowledge als kennis vanzelfsprekend is
(geworden), is deze vaak ook moeilijker om over te dragen
Cognitieve vaardigheden al 300.000 jaar ongewijzigd, maar
behoefte om complexe redeneertaken uit te voeren enorm
toegenomen
Systeem 1-denken neiging om willekeurige informatie te
verweven tot één “coherent” verhaal
Cf. complottheorieën; parallel met GenAI: hallucinaties
Kritisch nadenken: Systeem 2 activeren
JAL: training in herkennen en vermijden van redeneerfouten
1.3 Het brein als verbandenleggende machine
Reflexen werken op basis van patroonerkenning (vb. vuur associëren met
gevaar)
2
, Systeem 1: spontaan verbanden tussen allerlei soorten
informatie (concepten, gebeurtenissen, stellingen …)
Voordelen van systeem 1
Coherent kader: uit losse prikkels en feiten samenhangend,
betekenisvol verhaal
Efficiëntie: werkt snel en met weinig mentale inspanning →
handig voor routinebeslissingen
Detecteert sneller mogelijk gevaar en stuurt onmiddellijke
reactie aan
intuïtie / buikgevoel gericht op veiligheid en dus op herkennen
dreiging
vb. ”als we luide brul horen, kunnen we er misschien maar
beter van uitgaan dat het een leeuw is, ook al hebben we
technisch gezien onvoldoende informatie om dat met
zekerheid te kunnen concluderen”
Automatisering van vaardigheden door oefening
Nadelen van systeem 1
Nadeel: verbanden zijn regelmatig niet correct. Onjuiste
verbanden en drang naar coherentie
Vb. “Piet ging skiën. Hij brak een been.”
Complottheorieën
Conceptverruiming door verminderde blootstelling: hoe minder
ervaring je hebt met bepaald concept, hoe ruimer je dat concept
gaat definiëren
Wanneer we minder geconfronteerd worden met een bepaald
concept dan gaan we dit breder inschatten dan dat het effectief is
§ Systeem 2: actieve controle van verbanden
Systeem 1: Vier centrale verbanden: BELANGRIJK EXAMEN
1. Voorwaardelijke verbanden
2. Via-verbanden (‘metonymieën’)
3. Causale verbanden
4. Als-het-ware-verbanden (‘metaforen’)
1. Voorwaardelijke verbanden
3
, eerste soort verbanden dat in systeem 1 vaak aan bod komen
de ene propositie vormt een voorwaarde voor de andere
propositie
Bepaalde zin of uitspraak (‘propositie’) vormt voorwaarde voor andere
propositie
= “als …, dan …”
= als propositie 1 waar is, dan is propositie 2 ook waar
“Als het 16u is, dan begint de les”
2. Via-verbanden (‘metonymie’)
een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale
toegang te krijgen tot andere entiteit (doelentiteit) die er in onze
ervaring nauw mee verbonden is
verschil tussen wat er letterlijk gezegd en beweerd wordt
1 concept wordt gebruikt om een ander concept voor de geest te
houden
talrijke soorten:
Deel/Geheel ”Er zijn te veel monden om te voeden” personen
Gevolg/Oorzaak “Hij zit vol rimpels” hij is ouder geworden
Producent/Product: “Ik lees graag Kafka” boek van Kafka
Instituut/Plaats … “Brussel heeft dat weer beslist” Europese
Unie
Voorbeelden:
Hij had al twee flessen op voor de middag (2 flessen alcohol)
Het Witte Huis heeft laten weten dat er geen akkoord is (Technisch
gezien heeft het witte huis niets gezegd (want dit is gewoon een gebouw) ze
bedoelen dus trump)
De universiteit heeft het examenreglement aangepast
(examencommissied dus)
De pers dook meteen op het schandaal (journalisten dus)
Die Picasso hangt nu in een privécollectie. (schilderij v. picasso)
Belangrijkste:
Deel/geheel-metonymie: je legt verband tussen deel en geheel
4