1. De genetische code
Alle lichaamscellen beschikken over een unieke “genetische code” om eigenschappen tot uiting te
brengen → opgeslagen in de celkern
1.1 DNA & RNA
Cel bevat 2 kern- of nucleïnezuren:
1. DNA (desoxyribonucleïnezuur)
- Celkern
- Erfelijke eigenschappen
- Eiwit maken
→ die gegevens van het DNA = Genetische code
2. RNA (ribonucleïne-zuur)
- Tussenstap voor eiwitten te maken
- Virussen: uitzondering
➔ beiden opgebouwd uit nucleotiden:
- Fosfaatmolecule
- Suiker: ribose of desoxyribose
- Base: Adenine, guanine, cytosine, uracil (RNA) / Thymine (DNA)
1.2 Ruimtelijke structuur van DNA
Francis Crick & James Watson
- Dubbele helix met complementaire structuur
- DNA keten is een polymeer
- Spiraalvormig: ladder die rechts om zijn eigen as is gedraaid
- Waterstofbruggen
- Baseparen
▪ Thymine Adenine
▪ Cytosine Guanine
- Enige variatie in structuur: aantal en volgorde van de basen
,1.3 Structuur van chromatine en chromosomen
- Chromatinedraden DNA
▪ Klompjes eiwitten = histonen (dienen als skelet, drager)
- 46 chromatinedraden per cel
1.3.1 Omvorming tot chromosomen
Chromosomen = opgerolde chromatine
- Cel maakt zich klaar om te delen
- Eerst exacte kopie van elke van de 46 chromatinedraden = DNA replicatie
- Kopieën hangen aan elkaar vast via bindingsplaats = centromeer
- 2 identieke chromatinedraden worden chromatiden
1.3.2 Karyogram
Karyogram = een voorstelling van alle chromosomen van één cel
- 22 chromosomenparen of autosomen
- 2 geslachts-chromosomen of heterosomen:
▪ Man XY
▪ Vrouw XX
, 1.3.3 Diploïde en haploïde cellen
- 46 chromosomen in 23 paren: eén groepje is afkomstig uit de eicel van de moeder, het andere komt van
de zaadcel van de vade
▪ Binnen die twee sets 2 homologe chromosomen = Ze hebben dezelfde lengte, de centromeer zit
op dezelfde plek én ze bevatten hetzelfde soort informatie (bijv. oogkleur)
DIPLOÏD (2n):
- Alle lichaamscellen (huid, bloed, organen)
- 46 chromosomen
HAPLOÏDE CELLEN (n):
- De geslachtscellen of gameten (eicel en zaadcel)
- Bevatten géén paren, maar slechts een enkele set
- 23 chromosomen (de helft van het erfelijk materiaal)
1.3.4 Genen: sleutel tot erfelijkheid
Genen: sleutel van de erfelijkheid
- gen = stukje DNA dat codeert voor vorming van eiwit met een welbepaalde functie
➔ Elk gen is verantwoordelijk voor één erfelijke eigenschap
▪ Code in volgorde nucleotiden zorgt voor welbepaald gen
▪ Alle genen samen = Genoom