1. Begrippen
1.1. Genoom
= alle genen samen
Gen
= specifiek stukje van de DNA-molecule, dat informatie bevat voor de aanmaak van een
eiwit dat verantwoordelijk is voor één erfelijke eigenschap
(kanttekening: meestal meerdere genen betrokken bij één uiterlijk kenmerk)
Gentechnologie
= knippen en plakken met DNA: ontrafelen van het genoom → opsporen erfelijke
ziekten, klonen van dieren, …
1.2. Genen en allelen
Een gen kan verschillende uitdrukkingsvormen hebben = allelen
bv. gen → kleur ogen; allel → blauwe ogen
1.3. Genotype en fenotype
Genotype
= het type zoals de genen dit bepalen,
de erfelijke aanleg die opgeslagen ligt in de DNA-draden
Maar er zijn ook uitwendige omstandigheden, bv. milieu.
Fenotype = genen + omgeving Genotype: BB
= de uiterlijke verschijningsvorm,
het type dat men waarneemt als resultaat van het genotype
en de uitwendige factoren
Dus: organismen van dezelfde soort kunnen van uiterlijk verschillen, Fenotype: bruine ogen
zelfs als hun erfelijk materiaal volkomen identiek is.
1
, 1.4. Homozygoot en heterozygoot
Diploïde cellen: hebben een dubbele set chromosomen, set van vader + set van moeder
Mens: 46 chromosomen: per 2 een overeenkomstige structuur, dus 23
chromosomenparen
Homologe chromosomen
= een bij elkaar horend chromosomenpaar, dus op beiden bevinden zich de
overeenkomstige genen of de aanleg tot een kenmerk, bv. kleur ogen
Homozygoot
= allelen van een gen op de twee homologe chromosomen zijn dezelfde
(gelijk in de zygote)
Heterozygoot
= allelen van een gen op de twee homologe chromosomen zijn verschillend
(verschillende in de zygote)
Homozygoot Heterozygoot
1.5. Dominant en recessief
Dominant: komt altijd tot expressie
◦ Bruine ogen: ofwel twee allelen bruin, ofwel een bruin en blauw
Recessief: komt enkel tot uiting bij homozygoot
◦ Blauwe ogen: twee blauwe allelen
Bloed: O is recessief tov A en B
2
, 1.6. Co-dominant
= als 2 allelen van een gen even sterk zijn en beide tot uiting komen
Bv. bloedgroep AB
1.7. Intermediair kenmerk
= als 2 allelen van een gen even sterk zijn en niet apart tot uiting komen, maar een
mengvorm geven
Bv. als rood en wit even sterk zijn, geeft dit een roze bloem
Bij co-dominantie → rood-wit gevlekt
Zie oef. p. 86
2. Chromosomale erfelijkheid
= manier waarop chromosomen en de daarop aanwezige genen doorgegeven worden
2.1. Wetten van Mendel
1) Kruisingen
= als een ouderpaar in 1 of meerdere eigenschappen verschilt → kruising →
nakomelingen: hybriden (tussenvormen)
Homozygote ouders met zelfde genotype ➔ zelfde homozygote nakomelingen
Ouders met verschillend genotype ➔ kruising ➔ hybriden
a. Ouders met slechts één verschil ➔ monohybride kruising
b. Ouders met twee verschillen ➔ dihybride kruising
3