Uitgerekend Europa beschrijft de geschiedenis van de Europese samenwerking en integratie
vanaf het interbellum tot 2003. Jules Hermans laat zien dat de Europese eenwording geen
rechtlijnig succesverhaal is. Het proces verloopt met sprongen vooruit, mislukkingen, crises en
nationale tegenwerking.
De centrale spanning in het boek is die tussen:
• supranationale integratie, waarbij landen bevoegdheden overdragen aan Europese
instellingen;
• intergouvernementele samenwerking, waarbij nationale regeringen zelf de controle
houden.
Hermans is in beginsel voorstander van Europese integratie, maar bekritiseert de eenzijdige
nadruk op economie en technocratie. Volgens hem kan Europa alleen duurzaam functioneren
wanneer burgers zich ook verbonden voelen door een gedeelde cultuur, geschiedenis en
Europese identiteit.
Hoofdstuk 1 – Wat is Europese integratie?
Hermans begint met de vraag wat het begrip ‘integratie’ precies betekent. Niet iedere vorm van
samenwerking is integratie. Van echte integratie is sprake wanneer staten vrijwillig een deel van
hun soevereiniteit overdragen aan gezamenlijke, bovennationale instellingen.
Europese integratie is volgens hem een ingewikkeld proces. Economische belangen spelen een
belangrijke rol, maar ook politiek, veiligheid, cultuur, internationale machtsverhoudingen en de
ideeën van invloedrijke personen. Daarom is de integratiegeschiedenis niet vanuit één theorie te
verklaren.
De auteur benadrukt vooral de voortdurende strijd tussen nationale belangen en het streven
naar een Europese gemeenschap.
Hoofdstuk 2 – Het Briandmemorandum tijdens het interbellum
De geschiedenis van de Europese eenwording begint niet pas na 1945. In het interbellum
ontstonden al plannen voor Europese samenwerking. Na de Eerste Wereldoorlog moest het
Verdrag van Versailles vrede brengen, maar het leidde vooral in Duitsland tot frustratie en
revanchisme.
De Franse politicus Aristide Briand probeerde Frankrijk en Duitsland met elkaar te verzoenen. In
1930 presenteerde hij een plan voor een Europese federale samenwerking. Deze moest vooral
politiek zijn, maar daarnaast ook economische samenwerking bevorderen.
Het Briandplan mislukte door:
• de economische crisis;
• opkomend nationalisme;
, • angst voor Franse overheersing;
• Britse terughoudendheid;
• onduidelijkheid over de positie van Duitsland;
• het ontbreken van sterke Europese instellingen.
Toch was het plan belangrijk. Ideeën uit het memorandum keerden na 1945 terug, onder meer in
het Verdrag van Rome. De Europese gedachte bestond dus al vóór de Tweede Wereldoorlog,
maar Europa had blijkbaar nog een tweede catastrofe nodig voordat landen werkelijk bereid
waren bevoegdheden te delen.
Hoofdstuk 3 – De Benelux
Tijdens de Tweede Wereldoorlog besloten België, Nederland en Luxemburg nauwer te gaan
samenwerken. In 1944 sloten zij een douaneovereenkomst. De Benelux wordt vaak voorgesteld
als een geslaagd proefmodel voor de latere Europese integratie.
Hermans relativeert dit positieve beeld. De samenwerking werd bemoeilijkt door grote
economische verschillen. Nederland wilde vrijhandel en lage prijzen, terwijl België zijn industrie
en hogere prijsniveau wilde beschermen. Ook tussen Vlaanderen, Wallonië en Nederland
bestonden politieke spanningen.
De Benelux ontwikkelde zich daardoor moeizaam en kwam niet snel tot een volledige
economische unie. Toch was haar politieke betekenis belangrijk. De drie kleine landen leerden
gezamenlijk op te treden en speelden later een wezenlijke rol bij de oprichting van de EEG.
Vooral Nederland leverde met het Plan-Beyen een belangrijke bijdrage.
De Benelux was dus minder een perfect ‘proeflaboratorium’ dan vaak wordt beweerd, maar wel
een nuttige oefening in internationale samenwerking.
Hoofdstuk 4 – Het Marshallplan en het Europese herstel
Na 1945 was Europa economisch verwoest en politiek verzwakt. De Verenigde Staten vreesden
dat armoede en chaos het communisme aantrekkelijk zouden maken. Met het Marshallplan
boden zij daarom vanaf 1947 grootschalige economische hulp aan.
De Europese landen moesten gezamenlijk een herstelprogramma opstellen. Daardoor dwongen
de Amerikanen hen min of meer tot samenwerking. Het Marshallplan:
• versnelde de wederopbouw;
• moderniseerde industrie, landbouw en infrastructuur;
• stimuleerde handel en betalingsverkeer;
• bond West-Europa aan de Verenigde Staten;
• versterkte de scheiding tussen Oost- en West-Europa.