2.1 Inleiding
Veel kinderen maken voor hun 18e jaar één of meer ingrijpende gebeurtenissen
mee. Slechts een klein percentage ontwikkelt een posttraumatische stressstoornis of
andere trauma klachten. De meeste kinderen lukt het om op eigen kracht of met hulp
van de omgeving de gebeurtenissen te verwerken. Na het meemaken van een
ingrijpende gebeurtenis komen verschillende typen interventies in aanmerking:
eerste opvang, vroegtijdige interventie en psychotherapie. De belangrijkste
verschillen tussen deze interventies betreffen de tijdspanne tussen gebeurtenissen
en interventie, het doel van de interventie en wie ze uitvoeren. Psychotherapie ofwel
behandeling wordt doorgaans pas ingezet nadat trauma gerelateerde klachten tot
ontwikkeling zijn gekomen, blijven bestaan en interfereren met het dagelijks
functioneren. Het doel van psychotherapie is reductie van klachten die zijn ontstaan
ten gevolge van een gestagneerd verwerkingsproces en het weer op gang brengen
van dit verwerkingsproces.
2.2 Gebeurtenissen
Er bestaan verschillende indelingen om gebeurtenissen te categoriseren: op basis
van de frequentie van het optreden van de gebeurtenis, de wijze van blootstelling
aan de gebeurtenis of de aard van de gebeurtenis.
De meest bekende indeling is het onderscheid op basis van het aantal keren dat
een gebeurtenissen heeft voorgedaan. Volgens deze indeling is er sprake van type I-
trauma, wanneer een gebeurtenis eenmalig heeft plaatsgevonden, en van een type
II-trauma bij chronische traumatisering. Gebeurtenissen hebben zich in dat geval
over een langere periode herhaald. Kenmerkend voor dit tweede type gebeurtenis is
dat het kind zich gedurende een periode machteloos en hulpeloos heeft gevoeld
doordat de angstaanjagende gebeurtenissen zich steeds opnieuw voordeden en het
kind deze niet kon ontlopen. Een andere indeling die gemaakt wordt, is op grond van
de wijze van blootstelling. Zo onderscheidt de DSM-5 directe en indirecte
blootstelling van een persoon aan een ‘traumatiserende gebeurtenis’ (traumatic
, event). Indirecte blootstelling betekent dat een kind niet aanwezig was bij de
gebeurtenis, maar gehoord heeft over de gebeurtenis die elders heeft
plaatsgevonden. Getuigen zijn hoe een ander woord getroffen wordt daarentegen
gezien als een vorm van directe blootstelling; deze vorm kan soms sterker
traumatiseren dan zelf getroffen worden. Dit is wellicht toe te schrijven aan de
machteloosheid die gepaard gaat met passief toekijken, terwijl het slachtoffer actief
bezig is met proberen te overleven (vlucht, vecht of bevriest).
- Interpersoonlijke traumatisering: veroorzaakt door menselijk handelen.
- Non-interpersoonlijke traumatisering: niet veroorzaakt door menselijk
handelen.
We weten inmiddels op basis van onderzoek dat de kans op trauma gerelateerde
klachten significant groter is na interpersoonlijke traumatisering en dan vooral bij
meisjes. Wanneer er sprake is van verschillende typen interpersoonlijke
traumatisering die In de vroege kindertijd is begonnen en zich heeft afgespeeld
binnen de context van het gezin, bestaat het risico dat de ontwikkeling van de
hersenen en van de persoonlijkheid hierdoor is beïnvloed.
Het is van belang om bij de intake, behalve de klachten, ook meegemaakt en
negatieve gebeurtenissen zorgvuldig uit te vragen, zodat de therapeut hypothese
kan ontwikkelen ten aanzien van de ontwikkeling van klachten. Daarbij dient men er
rekening mee te houden dat klachten niet altijd direct na een gebeurtenis ontstaan.
2.3 Gevolgen
Het normale verwerkingsproces bestaat uit een afwisseling tussen herbeleven en
vermijden. In het begin zijn de herbelevingen en de vermijding reacties heftig en
overweldigend en naarmate de tijd vordert wordt de frequentie en intensiteit van de
herbelevingen en vermijding reacties minder, totdat de herinnering niet meer
emotioneel beladen is. Als het verwerkingsproces echter stagneert, ontstaan er
lichamelijke en/of psychosociale problemen, wat zijn weerslag kan hebben op het
sociaal, cognitief en emotioneel functioneren van het kind en op de gezinsleden die
er dagelijks mee geconfronteerd worden.
2.3.1 Klachten in verschillende ontwikkelingsfasen
PostTraumatischeStressStoornis (PTSS): Van een psychische of psychiatrische
stoornis spreken we als klachten niet passen bij de leeftijd niet te corrigeren zijn het
algemeen functioneren ernstig benadelen het kind en/of zijn omgeving doen lijden en
de ontwikkelingsmogelijkheden doen stagneren. In de diagnostiek fase dient de
therapeut vast te stellen of er sprake is van normale of gestagneerde verwerking en
zullen leeftijd specifieke reacties herkend moeten worden.
Peuters en kleuters (1-6 jaar)
Bij zeer jonge kinderen kan sprake zijn van gevoelens van hulpeloosheid en
gegeneraliseerde angst. Deze kunnen tot uitdrukking komen in regressief, agressief