ONDERNEMINGSRECHT ( HC 1-8 (TWEEDE HC IS GWN DIE WETTENBUNDEL).= PRIVAATRECHT
Ondernemingsrecht vormt de juridische structuur voor Nederlandse ondernemers. (juridische
infrastructuur en het bieden van bescherming van de bij de betrokken onderneming)
HC1
Inleiding (privaat)recht
-Juristentaal: Natuurlijke personen= koopovereenkomst. Mensen=Koop
Veel conflicten hoeft niet naar de rechter = mediation.
-En het probleem kan juridisch op verschillende manieren benaderd worden.
Verschillende benaderingen binnen het recht : VB van de moeder die verantwoordelijk is
van het feest, waarbij vriendin dochter minderjarig dronken viel op haar fiets.
- Strafrecht: verdachte moederBoete
- Civielrecht: Slachtoffer moederschadevergoeding.
Privaatrecht :Verhouding tussen burgers onderling ( vermogensrecht, ondernemingsrecht,
familierecht)
Publiek recht: Verhouding tussen burger en overheid (strafrecht, staats/bestuurecht,
fiscaalrecht)
Basisbegrippen
Subjectief rechten: Komt toe aan individuele personen dus aan rechtssubjecten.
Rechtssubjecten: Natuurlijke personen bw1 en rechtspersonen bw2
Objectief recht: zijn het geheel van alle regels, wordt gebruik om regels aan te duiden, deze
gelden over het algemeen voor iedereen.
Rechtsobject : Is het voorwerp van het recht
Vb ( hond kan niet als erfgenaam worden gesteld, want hy is geen rechtssubject maar een
rechtsobject, wel kan en vereniging worden aangesteld).
Het objectieve recht verleent de subjectieve rechten : Iedere aandeelhouder heeft tenminste
1 stemrecht (objectief recht, geldt voor iedereen). Het hebben van in Shell aandelen
waardoor je stemrecht krijg in ALV geldt voor een individu subjectief recht
Dwingend recht: Afwijken is niet toegestaan. (Besloten vennootschap moet notariële akte
afwijken mag niet.
Regelend/aanvullend recht: afwijken is toegestaan. ( Tenzij de statuten anders bepalen…
mag wel afwijken.
MC oefenvragen
- Mijn ov-jaarkaart geeft mij recht op openbaar vervoer ( subjectief recht, omdat het
mij specifiek toekomt deze recht mijn ov chipkaart).
- Rechtssubject : natuurlijke personen of rechtspersonen ( HOND NIET)
,Onderscheiding binnen het recht
Recht heeft twee delen
- Materieel recht: Deel waar de rechten en verplichtingen zijn geregeld. Inhoud en de
regels van het recht.
- Formeel recht: Procesrecht . Zijn de regels die toezien op het handhaven van het
recht.
Recht heeft 2 functies
- Het stellen van regels
- Handhaven van regels
Scheiding trias politica In Nederland mag de minister de rechter niet kiezen en andersom
ook niet. Amerika zijn de meeste rechters republikeinen evenwicht trias politica verstoord.
Wetgevende macht: Regering plus staten generaal
Uitvoerende macht: regering
Rechterlijke macht: onafhankelijke rechters.
Rechtsbronnen
Rechtsbronnen waaruit de rechtsnormen voortvloeien: 4 soorten.
- Wet
- Jurisprudentie/rechtspraak
- Verdragen
- Gewoonte
Wet
Ons recht is gecodificeerd: neergelegd in wetten.
De term wet ken 2 verschillende hanteringen:
1- Wet in formele zin: Een besluit/wet afkomstig van regering en staten general
(bijv: grondwet, wegenverkeerswet, je kijkt naar herkomst wet).
2- Wet in materiele zin : Dat is een algemeen bindend voorschrijft , toepasbaar
voor iedereen. Voorschrijft afkomstig is van een bevoegd orgaan.
Als een wet alleen van de regering afkomstig is spreek je van een algemene
maatregel van bestuur.
Dus wetten op zichzelf wet tot dit of wetboek = Formeel
Als ze toepasbaar voor iedereen= materieel anders niet.
Rangorde binnen wetten:
1Grondwet-2Wetten in formele zin 3-AMVB ( wet alleen door regering gemaakt)
Jurisprudentie
Wetten zijn niet altijd duidelijk en geven geen antwoord op rechtsvragen.
Vonnis: uitspraak door de hoogste rechter, de hoge raad arresten.
Rechtspraak organisatie: 1- eerste aanleg: rechtbank. 2-Hoger beroep: Gerechtshof
(Ondernemingskamer) 3- Hoge raad.
Verdragen : Internationaal recht: bv rechten van de mens. Of Europese unie richtlijnen.
Gewoonte: Recht spontaan ontstaan binnen rechtsgemeenschap. Bv: indien geen loon is
vastgesteld heeft werknemer aansprak voor het loon gebruikelijk was…….
HC3 ( Vermogensrecht inleiding in het goederenrecht)
, Vermogensrecht in het burgerlijk wetboek
Vermogensrecht ( BW 3,5,6)
- Goederenrecht ( BW3,5)
- Verbintenissenrecht ( BW3,6)
Vermogen: Zowel positief als negatieve bestanddelen. ( fiets of lening duo)
Vermogensrecht ( BW 3,5,6)
- Goederenrecht ( BW3,5): relatie tussen personen en goederen (statisch gedeelte)
- Verbintenissenrecht ( BW3,6): Relaties tussen personen ( Dynamisch gedeelte)
Met personen wordt natuurlijke personen en rechtspersonen bedoelt beide. art. 2: 5 BW
Onder goederen art3:1BW vallen de volgende 2 : Zaak 3:2B en vermogensrecht 3:6bw
Vermogensrecht: Goederen
- Zaak (art.3:2BW): zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stofelijke object.
- Roerende zaak: Zijn alle zaken die niet onroerend zijn art.3:3lid2 BW
- Onroerende zaak: zijn de grond el alles wat daarmee duurzam is verenig, zoals
gebouwenen beplantingen art.3:3lid1BW
- Art.5:3BW: Eigenaar van een zaak is teven eigenaar van al haar bestanddelen.
- Bestanddeel: hetgeen dat volgens de verkeersopvatting eigendom uitmaakt van een
zaak. Bijv: CV ketel plaatsen in museum, na plaatsen is die ook onderdeel van
Museum, want anders museum loopt schade bij het verwijderen. Doormiddel van
Natrekking Wordt de cv ketel een bestandeel van de zaak (CV ketel).
- Registergoed: goederen door welke overdracht of vestiging inschrijving is daartoe
bestemde openbare registers noodzakelijk. Registergoederen=onroerende zaken
denk aan gebouwen, schepen, vliegtuig.
- Niet registergoed: roerende zaken
Vermogensrecht: Vermogensrechten
Art 3:6BW: Rechten die overdraagbaar zijn, of ertoe strekken de rechthebbende stoffelijke
voordeel, verkregen zijn in ruil, etc…
Vermogensrecht is niet vermogensrecht aan zich. Maar individueel recht: Vermogen was
onder te verdelen in goederenrecht en verbintenissenrecht.
Absolute vs Subjectieve rechten
- Absolute vermogensrechten: Kunnen rusten op een zaak of een vermogensrecht.
Geldt tegenover iedereen exclusieve bevoegdheid.
- Relatieve/subjectieve vermogensrecht: Werkt slechts tegenover een of enkele
personen.--> bestaat uit een doen of nalatenprestatie.
Beperkte rechten
Art 3:8 BW.: Een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetgeen met het recht is
verzwaard Gesloten systeem.
Beperkte rechten op een goed BW3: Vruchtgebruik, pand hypotheek.
Beperkte rechten op een zaak BW5: opstal, erfpacht, erfdienstbaarheid.
Pand en Hypotheek
Ondernemingsrecht vormt de juridische structuur voor Nederlandse ondernemers. (juridische
infrastructuur en het bieden van bescherming van de bij de betrokken onderneming)
HC1
Inleiding (privaat)recht
-Juristentaal: Natuurlijke personen= koopovereenkomst. Mensen=Koop
Veel conflicten hoeft niet naar de rechter = mediation.
-En het probleem kan juridisch op verschillende manieren benaderd worden.
Verschillende benaderingen binnen het recht : VB van de moeder die verantwoordelijk is
van het feest, waarbij vriendin dochter minderjarig dronken viel op haar fiets.
- Strafrecht: verdachte moederBoete
- Civielrecht: Slachtoffer moederschadevergoeding.
Privaatrecht :Verhouding tussen burgers onderling ( vermogensrecht, ondernemingsrecht,
familierecht)
Publiek recht: Verhouding tussen burger en overheid (strafrecht, staats/bestuurecht,
fiscaalrecht)
Basisbegrippen
Subjectief rechten: Komt toe aan individuele personen dus aan rechtssubjecten.
Rechtssubjecten: Natuurlijke personen bw1 en rechtspersonen bw2
Objectief recht: zijn het geheel van alle regels, wordt gebruik om regels aan te duiden, deze
gelden over het algemeen voor iedereen.
Rechtsobject : Is het voorwerp van het recht
Vb ( hond kan niet als erfgenaam worden gesteld, want hy is geen rechtssubject maar een
rechtsobject, wel kan en vereniging worden aangesteld).
Het objectieve recht verleent de subjectieve rechten : Iedere aandeelhouder heeft tenminste
1 stemrecht (objectief recht, geldt voor iedereen). Het hebben van in Shell aandelen
waardoor je stemrecht krijg in ALV geldt voor een individu subjectief recht
Dwingend recht: Afwijken is niet toegestaan. (Besloten vennootschap moet notariële akte
afwijken mag niet.
Regelend/aanvullend recht: afwijken is toegestaan. ( Tenzij de statuten anders bepalen…
mag wel afwijken.
MC oefenvragen
- Mijn ov-jaarkaart geeft mij recht op openbaar vervoer ( subjectief recht, omdat het
mij specifiek toekomt deze recht mijn ov chipkaart).
- Rechtssubject : natuurlijke personen of rechtspersonen ( HOND NIET)
,Onderscheiding binnen het recht
Recht heeft twee delen
- Materieel recht: Deel waar de rechten en verplichtingen zijn geregeld. Inhoud en de
regels van het recht.
- Formeel recht: Procesrecht . Zijn de regels die toezien op het handhaven van het
recht.
Recht heeft 2 functies
- Het stellen van regels
- Handhaven van regels
Scheiding trias politica In Nederland mag de minister de rechter niet kiezen en andersom
ook niet. Amerika zijn de meeste rechters republikeinen evenwicht trias politica verstoord.
Wetgevende macht: Regering plus staten generaal
Uitvoerende macht: regering
Rechterlijke macht: onafhankelijke rechters.
Rechtsbronnen
Rechtsbronnen waaruit de rechtsnormen voortvloeien: 4 soorten.
- Wet
- Jurisprudentie/rechtspraak
- Verdragen
- Gewoonte
Wet
Ons recht is gecodificeerd: neergelegd in wetten.
De term wet ken 2 verschillende hanteringen:
1- Wet in formele zin: Een besluit/wet afkomstig van regering en staten general
(bijv: grondwet, wegenverkeerswet, je kijkt naar herkomst wet).
2- Wet in materiele zin : Dat is een algemeen bindend voorschrijft , toepasbaar
voor iedereen. Voorschrijft afkomstig is van een bevoegd orgaan.
Als een wet alleen van de regering afkomstig is spreek je van een algemene
maatregel van bestuur.
Dus wetten op zichzelf wet tot dit of wetboek = Formeel
Als ze toepasbaar voor iedereen= materieel anders niet.
Rangorde binnen wetten:
1Grondwet-2Wetten in formele zin 3-AMVB ( wet alleen door regering gemaakt)
Jurisprudentie
Wetten zijn niet altijd duidelijk en geven geen antwoord op rechtsvragen.
Vonnis: uitspraak door de hoogste rechter, de hoge raad arresten.
Rechtspraak organisatie: 1- eerste aanleg: rechtbank. 2-Hoger beroep: Gerechtshof
(Ondernemingskamer) 3- Hoge raad.
Verdragen : Internationaal recht: bv rechten van de mens. Of Europese unie richtlijnen.
Gewoonte: Recht spontaan ontstaan binnen rechtsgemeenschap. Bv: indien geen loon is
vastgesteld heeft werknemer aansprak voor het loon gebruikelijk was…….
HC3 ( Vermogensrecht inleiding in het goederenrecht)
, Vermogensrecht in het burgerlijk wetboek
Vermogensrecht ( BW 3,5,6)
- Goederenrecht ( BW3,5)
- Verbintenissenrecht ( BW3,6)
Vermogen: Zowel positief als negatieve bestanddelen. ( fiets of lening duo)
Vermogensrecht ( BW 3,5,6)
- Goederenrecht ( BW3,5): relatie tussen personen en goederen (statisch gedeelte)
- Verbintenissenrecht ( BW3,6): Relaties tussen personen ( Dynamisch gedeelte)
Met personen wordt natuurlijke personen en rechtspersonen bedoelt beide. art. 2: 5 BW
Onder goederen art3:1BW vallen de volgende 2 : Zaak 3:2B en vermogensrecht 3:6bw
Vermogensrecht: Goederen
- Zaak (art.3:2BW): zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stofelijke object.
- Roerende zaak: Zijn alle zaken die niet onroerend zijn art.3:3lid2 BW
- Onroerende zaak: zijn de grond el alles wat daarmee duurzam is verenig, zoals
gebouwenen beplantingen art.3:3lid1BW
- Art.5:3BW: Eigenaar van een zaak is teven eigenaar van al haar bestanddelen.
- Bestanddeel: hetgeen dat volgens de verkeersopvatting eigendom uitmaakt van een
zaak. Bijv: CV ketel plaatsen in museum, na plaatsen is die ook onderdeel van
Museum, want anders museum loopt schade bij het verwijderen. Doormiddel van
Natrekking Wordt de cv ketel een bestandeel van de zaak (CV ketel).
- Registergoed: goederen door welke overdracht of vestiging inschrijving is daartoe
bestemde openbare registers noodzakelijk. Registergoederen=onroerende zaken
denk aan gebouwen, schepen, vliegtuig.
- Niet registergoed: roerende zaken
Vermogensrecht: Vermogensrechten
Art 3:6BW: Rechten die overdraagbaar zijn, of ertoe strekken de rechthebbende stoffelijke
voordeel, verkregen zijn in ruil, etc…
Vermogensrecht is niet vermogensrecht aan zich. Maar individueel recht: Vermogen was
onder te verdelen in goederenrecht en verbintenissenrecht.
Absolute vs Subjectieve rechten
- Absolute vermogensrechten: Kunnen rusten op een zaak of een vermogensrecht.
Geldt tegenover iedereen exclusieve bevoegdheid.
- Relatieve/subjectieve vermogensrecht: Werkt slechts tegenover een of enkele
personen.--> bestaat uit een doen of nalatenprestatie.
Beperkte rechten
Art 3:8 BW.: Een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetgeen met het recht is
verzwaard Gesloten systeem.
Beperkte rechten op een goed BW3: Vruchtgebruik, pand hypotheek.
Beperkte rechten op een zaak BW5: opstal, erfpacht, erfdienstbaarheid.
Pand en Hypotheek