Tijd van jagers en boeren (Prehistorie tot 3000 v. Chr.)..........................................................................3
Tijd van Grieken en Romeinen (Oudheid: 3000 v. Chr. – 500 na Chr.).....................................................4
Tijd van monniken en ridders (vroege middeleeuwen: 500 – 1000).......................................................7
Tijd van steden en staten (Late middeleeuwen: 1000-1500)..................................................................9
Tijd van ontdekkers en hervormers (nieuwe geschiedenis: 1500-1600)...............................................12
Tijd van regenten en vorsten (nieuwe geschiedenis: 1600-1700)........................................................15
Tijd van regenten en vorsten (nieuwe geschiedenis: 1600-1700)........................................................18
Tijd van burgers en stoommachines (Nieuwste Geschiedenis: 1800-1900)..........................................23
Tijd van wereldoorlogen en Holocaust (Nieuwste Geschiedenis: 1900-1945)......................................30
De tien tijdvakken in het kort...............................................................................................................47
Kernwoorden met uitleg:.....................................................................................................................49
Oefentoets 1.........................................................................................................................................58
Antwoorden oefentoets 1....................................................................................................................62
Oefentoets 2.........................................................................................................................................66
Antwoorden oefentoets 2....................................................................................................................70
Ultrakorte samenvatting:......................................................................................................................72
De belangrijkste jaartallen....................................................................................................................75
~2~
,Tijd van jagers en boeren (Prehistorie tot 3000 v. Chr.)
De prehistorie is de periode voordat mensen schriftelijke bronnen maakten. Wanneer deze periode
eindigde verschilde per gebied. In het Midden-Oosten eindigde de prehistorie rond 3000 v. Chr.,
omdat daar de eerste teksten ontstonden. In West-Europa gebeurde dit pas rond 50 v. Chr. door de
komst van de Romeinen, die het schrift verspreidden.
Ongeveer 150.000 jaar geleden verspreidde de Homo sapiens zich vanuit Afrika naar andere
gebieden. Rond 35.000 jaar geleden bereikten de eerste mensen Europa. De oudste manier van
leven was die van jagers en verzamelaars. Zij leefden als nomaden, omdat ze steeds achter dieren en
voedsel aan moesten trekken.
Tijdens een glaciaal (een koude periode waarin ijskappen groter werden) leefden in Europa veel
rendierjagers. Zij gebruikten vooral vuur om voedsel te bereiden en dieren op afstand te houden. Ook
maakten zij werktuigen van vuursteen, bot en hout. Vuursteen was handig omdat het makkelijk
scherp gemaakt kon worden.
Vanaf ongeveer 8000 v. Chr. werd Europa warmer. Mensen gingen zich meer richten op vissen en
verzamelen. Ze maakten bijvoorbeeld boomstamkano’s, peddels en visfuiken. Langzaam ontstond
hierdoor de overgang naar landbouw.
De agrarische revolutie begon ongeveer 10.000 v. Chr. in de Vruchtbare Halvemaan. Mensen gingen
planten verbouwen en dieren houden, waardoor ze op vaste plekken konden wonen. Door landbouw
kwam er meer voedsel en konden mensen zich specialiseren. Niet iedereen hoefde meer boer te zijn;
sommige mensen werden bijvoorbeeld pottenbakker, wever of metaalbewerker.
De landbouw bracht ook problemen. Door vaste woonplaatsen ontstonden nieuwe ziekten en kreeg
de grond soms last van erosie.
In West-Europa ontstonden verschillende landbouwculturen. De bandkeramiekcultuur rond 5300 v.
Chr. kreeg deze naam door de versieringen op hun aardewerk. De trechterbekercultuur ontstond
later en is bekend door hun trechtervormige bekers en het bouwen van hunebedden. Hunebedden
waren graven waarin mensen werden begraven met voorwerpen zoals wapens en sieraden. Dit laat
zien dat mensen steeds meer een religieus besef kregen.
De prehistorie wordt ook wel de steentijd genoemd, omdat mensen veel gereedschappen van steen
maakten. Later ontdekten mensen metalen. Eerst gebruikten ze koper, daarna ontstond brons door
koper met tin te mengen. Uiteindelijk kwam ijzer, dat sterker was dan brons.
3
, Tijd van Grieken en Romeinen (Oudheid: 3000 v. Chr. – 500 na Chr.)
Door de landbouw ontstonden grotere samenlevingen en uiteindelijk stadstaten. In gebieden rond
rivieren zoals de Eufraat, Tigris en Nijl was genoeg voedsel om niet iedereen boer te laten zijn.
Mensen kregen daardoor andere taken, zoals bestuurder, soldaat of priester.
De eerste geschreven teksten ontstonden doordat mensen administratie moesten bijhouden.
Belasting en voorraden werden op kleitabletten geschreven. Ook werden wetten vastgelegd zodat
iedereen dezelfde regels kende.
In Griekenland ontstonden bekende stadstaten zoals Athene, Sparta en Thebe. Athene werd
belangrijk omdat hier ideeën ontstonden zoals democratie, filosofie en wetenschap. De Grieken
begonnen ook met het schrijven van kritische teksten over hun eigen tijd en geschiedenis.
Het Romeinse Rijk groeide door veroveringen uit tot een enorm rijk. Julius Caesar was een
belangrijke legerleider die Gallië veroverde. Daarna werd Caesar Augustus de eerste Romeinse keizer.
Onder Augustus begon de periode van de Pax Romana. Dit betekent “Romeinse vrede” en was een
lange periode waarin het rijk relatief stabiel bleef.
Ezelsbruggetje:
Pax = Peace
→ Pax Romana = Romeinse vrede.
Om het rijk te beschermen bouwden de Romeinen grenzen zoals de Limes langs de Rijn. Langs deze
grens stonden wachtposten en legerplaatsen. Een grote legerplaats heette een castellum. De
Romeinse plaats Noviomagus lag op de plek van het huidige Nijmegen.
Het Romeinse leger was sterk door goede training en strakke samenwerking. Soldaten gebruikten
onder andere schilden, zwaarden en speren. Na hun diensttijd kregen veel soldaten landbouwgrond,
waardoor villa rustica’s ontstonden: grote Romeinse boerenbedrijven.
De Romeinen zorgden ervoor dat hun rijk één geheel werd door dezelfde wetten, wegen, taal en
munten te gebruiken. Het overnemen van de Romeinse cultuur noemen we Romanisatie.
Romeinse steden werden vaak volgens een vast patroon gebouwd. Belangrijke gebouwen waren het
forum (marktplein), tempels, badhuizen (thermen), theaters en aquaducten die water vervoerden.
De Romeinen gebruikten vaak boogconstructies, omdat deze sterk waren en weinig materiaal nodig
hadden.
Door de vele veroveringen werd het Romeinse Rijk steeds groter. Om al deze gebieden te
beschermen bouwden de Romeinen sterke grenzen. In het noorden vormden de rivieren Rijn en
Donau een natuurlijke grens. Langs deze grenzen bouwden ze wachttorens, wegen en legerplaatsen.
De Limes was de Romeinse verdedigingslinie langs de Rijn. Soldaten bewaakten deze grens vanuit
wachtposten en castella (meervoud van castellum). Een castellum was een grote legerplaats waar
soldaten woonden en trainden.
In Nederland lag bij de Waal een belangrijk castellum: Noviomagus. Deze plaats ligt op de plek van
het huidige Nijmegen. De Romeinen bouwden daar niet alleen een legerplaats, maar ook markten en
andere voorzieningen.
~4~