H
1. Wat is kwalitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek / qualitative methodologies = methoden zonder formele meting of statistiek, maar
toch zit er soms watnumeriekin (frequenties, kappa,factoranalyse). Het is dusprimairbetekenisgericht,
niet cijfergericht. Kwalitatief onderzoek scheidt zich op 3 niveaus
1. Wetenschapsfilosofie / kennistheorie / epistemologie= hoe we kenniszienenbeschouwen
2. Data-collectie & analyse: interviews, focusgroepen,observatie, thematische-, discoursanalyse …
3. Onderzoeksproces: andere plaats in empirische cyclus,deductie = kwanti, inductie = kwali
e spreken over kwalitatief onderzoek wanneer ernietvooraf is vastgelegd wat je precies gaat meten,
W
wanneer jefocust op ervaring & betekenisencontextmee in rekening neemt, de natuurlijke setting
wordt sterk benadrukt. Thick description is beschrijvende, gedetailleerde data.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Kennistheoretische benadering (epistemologie): watis kennis, hoe verkrijgen we het, rol onderzoeker?
Beide kwalitatieve en kwantitatieve psychologie zijn gebaseerd opempirisch onderzoek (EX).
wantitatief perspectief: onderzoeker moetneutraalblijven,kwalitatief
K
perspectief:neutraliteitisonmogelijkomdat de onderzoekeraltijd
gevormd is door: cultuur, sociale achtergrond, theoretische voorkeuren, …
die alles beïnvloeden ->transparantie
VERSCHIL KWANTITATIEF EN KWALITATIEF ONDERZOEK = EPISTEMOLOGIE,
BEOORDELING KWALITEIT, MATE VAN INFERENTIE
L OGISCH POSITIVISME = KWANTITATIEF(dus ook alle kenmerkenervan)!!!!!!!!!!!!!!!!!!
RELATIVISME=KWALITATIEF(meerdere waarheden, allesis relatief)!!!!!!!!!!!!!!!!!!
POST-MODERNISME = KWALITATIEF(realiteit = taal, discours,interpretatie)!!!!!!!!!!!!!!!!!!
SOCIAAL-CONSTRUCTIVISME = KWALITATIEF(mensen construerensamen betekenis)!!!!!!!!!!!!!!!!!!
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Kwalitatief onderzoek =inductie: je hebt rijke beschrijvingen(reduceert niet meteen), je kijkt naar
betekenis vanuit het perspectief van het individu in een natuurlijke context,data -> inzichten -> theorie
-> ookdeductieaanwezig, je beweegt voortdurend tussendata <-> theorie
○ ‘Black box’: kwantitatief onderzoek toontverbanden,maar niethoeofwaaromiets gebeurt
○ Elite-bias: theorie vooral van “mainstream” -> minderheden,niet-westerse culturen ontbreken
Geïnteresseerd inbetekenis,ervaring,proces(hoe,welke, perspectieven, …)
Kwantitatief onderzoekis gericht opfrequentie,verschillen,verbanden,oorzaken(hoeveel, hoe vaak, …)
oorbeeld pesterijen op het werk(meervoudige gevalstudie-> kwlitatief):Pesterijen op het werk =
V
systematisch negatief gedrag, langdurig, slachtofferkan zichniet verdedigen. Leymann beschrijft 4
fasen:kritisch incident → stigmatisering → bevestigingdoor leidinggevende → uitdrijving. Kwalitatief
onderzoek gebruiktrijke interviewsomontstaan, verloop,beleving en contextte begrijpen. In de
studie:87 pestexperten,56 casussen, analyse viacasus- en procesanalyse. Theorieën getoetst
(DEDUCTIE):Strain theory: frustratie → destructievecoping → agressie.Conflict theory: conflict +
, achtsverschil→ dader/slachtoffer.INDUCTIElevert aanvulling: slachtoffers tonen ookpassieve coping,
m
enmachtsverhoudingenzijn cruciaal. Nieuwe inzicht:pestcultuur→ negatief gedrag wordtnorm,
nieuwkomers wordenslachtoffers. Sociaal constructivisme:meerdere perspectieven vullen elkaar aan;
onderzoeker isniet neutraal. DEDUCTIE KAN DUS OOKZEKER BINNEN KWALITATIEF ONDERZOEK.
. Zelfrapportage
2
Zelfrapportage (vragenlijsten, dagboeken, narratieven,
…)= informatie die de persoonzelfgeeft over zijn/haar
gevoelens, gedachten, ervaringen (= enige manier om
hier toegang tot te krijgen). MAAR: dit perspectief
verandert door tijd, context, relatie met interviewer,
vraagstelling ->CONTEXTUALISEREN.
○ WEL met zelfrapportage:achtergrondinfo,gevoelens,attitudes&meningen,intenties&
1
verwachtingen,kennis(mensen overschatten dit vaak),gedrag(risico op vertekening)
○ NIET met zelfrapportage:toekomstigegevoelens,verbanden/causaleeffecten(bv; deelnemers
denken dat lawaai hun beoordeling beïnvloedde maar in werkelijkheid was er geen effect)
KEN DE PROBLEMEN VAN ZELFRAPPORTAGE + DE KWANTI- EN KWALITATIEVE OPLOSSING GOED!
WEET DAT KWALITATIEF ONDERZOEK NIET ALTIJD INDUCTIEF TE WERK GAAT!
KEN DE STROMINGEN GOED! HIER WORDT BIJNA ELK JAAR EEN VRAAG OVER GESTELD!
SOCIAAL REALISME BESTAAT NIET ALS STROMING!!!!!
1
Mensen hebben de neiging om ja te knikken / akkoord te gaan met stellingen, ongeacht hun standpunt.
, OOFDSTUK 3: ZELFRAPPORTAGE: INTERVIEWS EN NARRATIEVEN
H
1. Kwalitatieve interviews
Interview = conversatie waarin de interviewer vragen stelt en de geïnterviewde antwoorden geeft, de
informatieuitwisseling gebeurt meestal van geïnterviewde -> interviewer, maar dit kan ook omgekeerd.
Je gebruikt interviews als jezelfrapportagewil,flexibiliteitnodig hebt,dieptewil ipv gesloten
vragenlijsten -> interviews = de standaardmethode in kwalitatief & psychologisch onderzoek
1. Volledig gestructureerd interview:mondelingevragenlijstmet vaste vragen en vooraf bepaalde
antwoorden(KWANTITATIEF), dit wordt gekenmerkt doorvaste vragen en -antwoordopties,
iedereen krijgt exact hetzelfde en daardoor is het makkelijk te vergelijken
-> nadeel: geen nieuwe ontdekkingen, geïnterviewden kunnen eigen informatie niet toevoegen
2. Ongestructureerd interview: enkelthema’s,geenvastevragen(KWALITATIEF), bv; “vertel eens
over uw relatie met uw eerste lief” -> vrij verloop, onverwachte antwoorden, rijke verhalen
-> nadeel: moeilijker te analyseren,echt ongestructureerdbestaat bijna niet volgens handboek
3. Semi-gestructureerd interview:flexibel, maar metvoorafbepaaldetopics(KWALITATIEF)bv; “u
doet aan sport? Welke?”, de interviewer mag volgorde en formulering aanpassen,
DOORVRAGEN, STILTES TOELATEN, OPEN VRAGEN (VORIGE EXAMENVRAAG)
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De onderzoeker isnietneutraalin een kwalitatiefinterview, de relatie
beïnvloedt de antwoorden (CONTEXT!), daarom vraagt kwalitatief
onderzoektransparantieover de positie van de onderzoeker
. Theorie: wat wil je weten
1
2. Outline: welke onderwerpen moeten aan bod komen?-> brainstormen, testen, verfijnen
3. Vragen opstellen: geen suggestieve vragen, geenveronderstellingen, neutraal en open vragen
- Essentiële vragen: gaan rechtstreeks over het onderzoeksthema
- extra/parallelle vragen: idem essentiële vragen, andersgeformuleerd (handig bij onbegrip)
- Weggooivragen: leiden af van een gevoelig onderwerp,breekt de spanning af
- “Probes” (DOORVRAGEN): verschillende soorten:open-ended(voor meer detail /
verduidelijking) engerichte bijvragen(meer gegevens:“wie was daarbij?”, “waar was het?”)
EERST moet je eenbandopbouwen, DAN komen degevoeligevragen(let wel op assimilatie- en
contrasteffecten -> “heeft uw moeder u ooit geslagen” en dan “hoe is uw relatie met uw moeder” =
vraag 1 beïnvloedt vraag 2 =assimilatie-effect, hetkan beter omgekeerd)
ctief luisteren: oogcontact, knikken, open houding,lichte vooroverbuiging, “uhum”, “ja”
A
Non-verbale communicatie: gepaste kledij, bewustehouding, culturele beleefdheidsvormen respecteren
Interactie: aanmoedigen, stiltes laten vallen, nietopdringerig,doorvragen, niet veronderstellen, VRAGEN
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
2. Narratieven
Narratief = verhaal/vertelling van een ervaring, het gaat dus over een gebeurtenis (verleden/heden) dat
meestal verbaal wordt verteld, laat zien hoe iemandbetekenisgeeftintaalvorm;
Interviews = co-constructies (/ conversationeel narratief): interviewer + geïnterviewde maken samen
het verhaal, de interviewer beïnvloedt narratief door:luisteren, doorvragen, samenvatten, evalueren, …