20 Januari 2023
Vragen en Modelantwoorden
1. Marx schrijft dat de wijze waarop de arbeidskracht van werkende mensen wordt gebruikt
verschilt per produktiewijze. Hij schrijft dat in het feodalisme de meeropbrengst ‘positief’
wordt bepaald, in het kapitalisme ‘negatief’. Wat bedoelt hij? Wat is de oorzaak van dit
verschil?
Marx begint het empirisch deel van zijn analyse met een beschrijving van de productieverhoudingen
in Wallachije, een feodaal land. In Wallachije moeten de boeren een voorgeschreven aantal dagen
voor hun heer werken. De boeren weten welke arbeid meerarbeid is, deze wijze van bepaling
benoemt Marx als ‘positief’. In het kapitalisme is voor de arbeiders niet meer zichtbaar welk deel
noodzakelijke arbeidstijd is en welk deel meerarbeid. De arbeiders krijgen een loon uitbetaald, het is
duidelijk dat dit minder is dan de waarde van hun productie (anders zou de kapitalist failliet gaan),
maar het is niet duidelijk hoe die verhouding precies ligt. Deze wijze bepaling is ‘negatief’, er is geen
criterium dat onderscheidt tussen noodzakelijke en meerarbeidstijd.
Het verschil is te herleiden tot een verschil in de relatie tot de productiemiddelen. In het feodalisme
was de boer gebonden aan de productiemiddelen, dat is aan de grond. Hij had eigen grond, en de
opbrengst van die grond kwam hem toe. In het kapitalisme bezit de kapitalist alle productiemiddelen,
en heeft de arbeider alleen zijn productiekracht. Hij moet zich verhuren aan de kapitalist, en heeft
niet de (productie)middelen om in eigen levensonderhoud te voorzien.
2. Weber schrijft dat het leerstuk van de roeping belangrijk is voor de verklaring van de grote
economische activiteit van protestanten. Wat is de inhoud van dit leerstuk bij protestanten?
Hoe verschilt dit tussen protestanten en katholieken?
In het protestantisme, bij Luther en zeker ook bij Calvijn, wordt gesteld dat het de roeping van
mensen hier op aarde is om te werken. M.a.w.: mensen zijn op aarde om te werken ter meerdere eer
en glorie van de Heer. In het tijdelijke leven op aarde dient de mens te werken, in tegenstelling tot
het eeuwige leven in de hemel, want daar vinden de heiligen rust.
Er is een groot verschil op dit punt tussen protestanten en katholieken. Bij de katholieken worden
alleen sommige mannen geroepen, en dat is de roeping voor een geestelijk ambt (priesters,
monniken). Deze mannen staan door hun roeping en de kennis van de theologie dichter bij God dan
de leken. Bij de protestanten zijn alle gelovigen geroepen, niet tot een geestelijk ambt, maar tot
beroepsarbeid. Beroepsarbeid betekent het leveren van nuttige diensten voor de samenleving. Dit
verschil in opvatting over de roeping ligt ten grondslag aan de sterk hiërarchische organisatie van de
katholieke kerk en de meer democratische organisatie van de protestantse gemeenten.
3. Tijdens het college is gesteld dat Durkheim’s mensbeeld evolutionair is: mensen zitten anders
in elkaar in ‘primitieve’ samenlevingen dan in meer ontwikkelde samenlevingen. Wat is het
verschil? Waarom maakt dat mensen in meer ontwikkelde samenlevingen kwetsbaar?