1
De Statuten van de Leprozerie van Gent (1236)
Tekstuitgave Maurits Gysseling
(Corpus Gysseling I, blz. 20-29)
7. Vander ge/schedenre (gescheiden) wonschepe (het verblijf) der man (mannen) ende der
/ wiuen. ende uan der gemenre liftucht (gemeenschappelijke levensonderhoud → lett
lijftocht). //
Alle deman (alle mannen) béde (zowel) siec ende gesond / moten (moeten) hebben gescheden
uan / allen wiuen sieken ende gesondden (zowel ziek als gezond); / bede (zowel tijdens)
wonschepe (wonen) ende ámbach. (het werken) ende / wandelinge (omgang met elkaar,
contact dat mensen hadden). Niemen (niemand) dimér (bovendien) ne / moet (mogen) niet
(niets → iets) doen bi sinen eighinen / wille (uit eigen wil); nemar (maar) al dat ambacht (alle
taken) dat / hem (~aan iemand) demester sal setten. moet elc (iedereen) / nerenst hebben
teuulbringene (moet hij met ernst volbrengen) / met alre omodechhede (nederig) ende sonder /
murmeringe (morren). Nemar (maar) alsi (al zij) het so (hoewel)/ dat de man uerschedenlike
wonen (moeten mannen apart leven)/ uanden wiuen; nochdan moten / si alle geménlike
(samen) leuen. bede (zowel) in / etene (in eten) ende inb dranke ende in cledern. ende / men es
elken (iedereen) sculdech (moeten) te delne (= delene → toebedelen) al / weder di
(naargelang) dat his (hi + des → hij daaraan) behuof heuet (behoeft heeft). niet / na elcs
edelhede (niet op basis van afkomst); nemar na sin/re noet (maar naar zijn nood). So dat men
den harde sie/ken (ernstige zieken) bet doe (lett: beter doen → meer geeft/beter behandeld);
nadien dat (naarmate dat) hare (hun) her/te beghert. ende nadien dat de suar/hede
(zwaarheden/ernst) uan harer siecheden (ziekte) éescht (eist). /
16. Van der penitentien ende wat hier pe/nitentie geheeten es. (boete doen → kan ook
vrijwillig zijn)
De Statuten van de Leprozerie van Gent (1236)
Tekstuitgave Maurits Gysseling
(Corpus Gysseling I, blz. 20-29)
7. Vander ge/schedenre (gescheiden) wonschepe (het verblijf) der man (mannen) ende der
/ wiuen. ende uan der gemenre liftucht (gemeenschappelijke levensonderhoud → lett
lijftocht). //
Alle deman (alle mannen) béde (zowel) siec ende gesond / moten (moeten) hebben gescheden
uan / allen wiuen sieken ende gesondden (zowel ziek als gezond); / bede (zowel tijdens)
wonschepe (wonen) ende ámbach. (het werken) ende / wandelinge (omgang met elkaar,
contact dat mensen hadden). Niemen (niemand) dimér (bovendien) ne / moet (mogen) niet
(niets → iets) doen bi sinen eighinen / wille (uit eigen wil); nemar (maar) al dat ambacht (alle
taken) dat / hem (~aan iemand) demester sal setten. moet elc (iedereen) / nerenst hebben
teuulbringene (moet hij met ernst volbrengen) / met alre omodechhede (nederig) ende sonder /
murmeringe (morren). Nemar (maar) alsi (al zij) het so (hoewel)/ dat de man uerschedenlike
wonen (moeten mannen apart leven)/ uanden wiuen; nochdan moten / si alle geménlike
(samen) leuen. bede (zowel) in / etene (in eten) ende inb dranke ende in cledern. ende / men es
elken (iedereen) sculdech (moeten) te delne (= delene → toebedelen) al / weder di
(naargelang) dat his (hi + des → hij daaraan) behuof heuet (behoeft heeft). niet / na elcs
edelhede (niet op basis van afkomst); nemar na sin/re noet (maar naar zijn nood). So dat men
den harde sie/ken (ernstige zieken) bet doe (lett: beter doen → meer geeft/beter behandeld);
nadien dat (naarmate dat) hare (hun) her/te beghert. ende nadien dat de suar/hede
(zwaarheden/ernst) uan harer siecheden (ziekte) éescht (eist). /
16. Van der penitentien ende wat hier pe/nitentie geheeten es. (boete doen → kan ook
vrijwillig zijn)