HOC 1: Introduction to scientific reasoning
Overview lecture
1. Psychology is a way of thinking (chapter 1)
2. Sources of information (chapter 2)
1. Psychology As a way of thinking
1.1 Producing versus consuming research
We gaan allemaal ofwel a of b worden:
a) Research producer
b) Research consumer
• Example to illustrate the importance of the research consumer role
https://www.tandfonline.com/doi/
pdf/10.1080/10926771.2021.2013
375
→ Iemand die zelf mentale problemen had ervaren besloot ze om een therapeut te worden om
mensen te helpen met mentale problemen
→ Heel veel kritiek gekregen: had geen psychologische achtergrond
→ Het leek alsof ze vond het mandaat te hebben om anderen te helpen omdat ze er zelf
ervaring meer had
→ Reactie: ze had lessen/trainingen gevolgd, refereerde naar wetenschappelijk onderzoek
→ Als je kijkt naar dat artikel zijn er een paar problemen: very small sample (n = 17), no
controlgroup (niets om mee te vergelijken)
Another example:
• Kritische mindset is essentieel!
• Not all published research is correct or robust
• Replication crisis in psychology
→ In dit onderzoek zegt dat mensen kunnen
voorspellen wat er met hen gaat gebeuren in de
toekomst (evidence for future sight)
→ Gepubliceerd in een prestigious scientific journal
→ In het artikel staan 9 experimenten
→ Er waren heel wat problemen met dit onderzoek: the effects were statistically significant but
really small, effect size is important, replication attempts failed
→ De onderzoeker heeft nooit alle studies gerapporteerd die hij heeft gevoerd, enkel diegene
waarin hij een effect had gevonden. Dit was enkel gebaseerd op toeval.
1
2025-2026
,RMT II
1.2 How scientists work
• Wetenschap is gebaseerd op empirisme (empiricism)
• Wetenschappers testen theorieën (theories)
• Wetenschappers houden zich bezig met fundamentele en toegepaste vraagstukken
(fundamental and applied problems)
• Wetenschap is voortdurend in ontwikkeling (evolving)
• Wetenschappers publiceren hun bevindingen in wetenschappelijke tijdschriften (publish in
scientific journals)
• Wetenschappers communiceren met het grote publiek via journalisten (communicate via
journalists)
1.2.1 Empiricism
• De empirische methode is gebaseerd op gegevens (data) die worden verkregen via:
• Onze zintuigen (senses) (sight, hearing, touch)
• Instrumenten die onze zintuigen ondersteunen (thermometer, questionnaires, timer)
• Zowel quantitative and qualitative methods kunnen worden gebruikt om empirisch bewijs
te verzamelen
• Empirici striven ernaar onderzoek te doen op een systematische (systematic),rigoureuze
(rigorous), en repliceerbare (replicable) manier
• Empirisme is niet gebaseerd op eigen ervaringen, intuïtie, or autoriteiten
→ Onderzoekers gaan geen conclusies trekken op basis van hun buikgevoel, wel op basis van
dataverzameling
→ Dataverzameling kan op verschillende manieren gebeuren: onze zintuigen, meetinstrumenten
die onze zintuigen assisteren en kwalitatieve en kwantitatieve methodes
→ Kwalitatieve data bestaat uit woorden, zinnen, tekst (not the focus of this cours)
→ Kwantitatieve data bestaat uit getallen (focus of this cours)
→ Onderzoek moet repliceerbaar zijn. Daarvoor moet onderzoek op een systematische manier
gebeuren.
1.2.2 Scientists test theories
Theory-data cycle
→ Onderzoekers starten vanuit een theorie
→ Op basis van die theorie kunnen we een
onderzoeksvraag (research question)
formuleren, meer specifiek hypotheses
→ Dan denken we na hoe we deze hypothese
kunnen testen en zetten we een
onderzoeksdesign op
→ Daarna preregistration: voor we data
verzamelen gaan we ergens specifiëren wat
de hypotheses zijn en hoe we die gaan
testen (research design)
This is confirmatory, not exploratory
2
2025-2026
,RMT II
Note:
Er is een verschil tussen exploratory (inductive) en confirmatory (deductive) onderzoek!
Harlow (1958): cupboard
theory vs. contact comfort
theory
→ Een onderzoek om te
begrijpen waarom
mensen en dieren zich
hechten met hun ouders.
→ Two competing theories
→ Cupboard theory: kleine dieren hechten zich aan hun moeder omdat die eten geeft. Ze
gaan eten en het blije gevoel koppelen aan hun affectie tegenover hun
moeder.
→ Contact comfort theory: hechting omdat ze affectie, knuffels krijgen van de moeder (niet
eten)
Heeft aapjes direct na de geboorte weggenomen van de moeder en heeft een kooi gemaakt met
twee mogelijke moederfiguren. Enerzijds een metalen constructie waar een flesje met in paste
zodat de aapjes eten konden krijgen van de moederfiguur. Het was oncomfortabel, maar ze kregen
eten. Anderzijds een moederfiguur waarbij ze geen eten konden vinden, maar wel comfort.
→ Idee: we kunnen kijken welke theorie klopt door te kijken waar de aapjes meer tijd doorbrengen
→ Resultaat: de meeste tijd werd gespendeerd op de zachte constructie
= een voorbeeld van de theory-data cycle
• Kenmerken van goede theorieën:
• Onderbouwd door data (however, results from a single study cannot prove a theory)
• Falsifieerbaar (= the theory can be disconfirmed)
• Parsimonious (“Occam’s razor”) (= if you have multiple theories that explain a certain
phenomenon equally well, then the simplest theory is the best one)
• Voorbeelde van niet-falsifieerbare theorieën:
• Aanhangers van facilitated communication treatment
• See book “De ongelovige Thomas heeft een punt”
• Theorieën worden beoordeeld op basis van al het beschikbare bewijsmateriaal
• A theory can never be “proven”, but it can be falsified (weerlegd)
• Replication is crucial
3
2025-2026
, RMT II
1.2.3 Scientists form a community
Onderzoekers hebben een bepaalde manier van werken
→ Soms vormen deze onderzoekers een community
Merton beschreef 4 wetenschappelijke normen die alle wetenschappers, alle leden van deze
community gebruiken in hun werk:
1. Universalism: iedereen kan onderzoek doen, ongeacht achtergrond, kwalificaties of reputatie
2. Communality: onderzoek is een publiek goed. (In reality this is not the case, you need to pay)
3. Disinterestedness: het doel van wetenschappers is het vinden van de waarheid en niet het
bewijzen van bepaalde idealen. Wetenschappers zijn neutral en laten zich
niet beïnvloeden door zaken als winst of politieke ideeën. (In reality it’s hard
for researchers to be completely value free)
4. Organized skepticism: onderzoekers staan sceptisch tegenover alles, zowel tegenover het werk
van anderen als dat van zichzelf.
1.2.4 Fundamental versus applied research
4
2025-2026