Diergeneeskunde | Jaar 3, sem. 2. | Elise van Gool
Hoofdstukken boek (The Cutting Edge 3rd ed.): 2, 3, 5, 6, 7, 10 & 16
1 Hechtmaterialen en instrumentarium ..............................................................................2
2 Basale chirurgische technieken...................................................................................... 11
3 Buikanatomie en – chirurgie ........................................................................................... 19
4 Injectietechnieken ......................................................................................................... 33
5 Wondmanagement ........................................................................................................ 43
6 Aseptiek ........................................................................................................................ 57
7 Oefententamen ............................................................................................................. 65
,Elise van Gool [2026]
1 HECHTMATERIALEN EN INSTRUMENTARIUM
1.1 HECHTNAALDEN
1.1.1 Eigenschappen van hechtnaalden
Hechtnaalden worden beschreven met de volgende eigenschappen:
- Doorsnede van de naald
Grootte, snijdend of rond
- Buiging van de naald
Hoe meer buiging hoe geschikter om in de diepte te hechten. 3/8e gebogen is meest
universele (huid); 4/8e voor perforerende darmnaad; 5/8e voor sluiten liesbreuk.
- Verbinding naar de draad
Traumatisch: draad zit los in de naald, gaat hierdoor moeilijker
door weefsel en geeft meer schade door een groter gat (oog),
draad is dubbelgevouwen door het oog, naald kan hergebruikt
worden met meerdere draden.
Atruamatisch: de draad zit al vanaf de fabrikant in de naald vast,
gaat makkelijker door weefsel. Naald kan wel maar 1x gebruikt
worden. De losse naald heeft een verend oog.
Ook zijn er verschillen tussen snijdende en ronde naalden.
Onder de snijdende naalden vallen de cutting, snijdende
deel in de richting van de boog; en de reverse cutting,
snijdende deel van de boog af gericht, naalden. Scherp
gesneden randen zijn nodig voor taai weefsel zoals de huid,
een ronde naald kan gebruikt worden voor zachtere weefsels
zoals spieren, uterus, darm. De ronde naald zal zorgen voor
minder schade en dus minder kans op lekkage. Rond Cutting Reverse Spatula
Cutting
NAALDTYPE KENMERK GEBRUIK
RONDE NAALD Ronde punt, rond/afgeplatte schacht; Voor zacht weefsel en waar lekkage of
steekkanaal past goed rond de draad inscheuren ongewenst is. MDK,
urineblaas, darm, uterus.
SNIJDENDE NAALD Driehoekige scherpe punt, snijrand aan Voor stevig weefsel, maar meer kans dat
binnenbocht het weefsel inscheurt als je aan de
hechting gaat trekken
OMGEKEERD- Driehoekige punt, snijrand aan Voor stevig weefsel, veiliger dan gewone
SNIJDENDE NAALD buitenbocht snijdende naald; vaak bij atraumatisch
hechtmateriaal
TROCAR NAALD Ronde schacht, maar snijdende punt Voor stevig weefsel waarbij toch een vrij
rond steekkanaal gewenst is. Maag hond,
rectusschede.
PLATTE NAALD / Platte, harde, zwartgekleurde naald Voor betere zichtbaarheid en controle;
VISIBLACK (hierdoor beter zichtbaar in weefsel); gebruikt bij specifieke chirurgische
meestal ronde punt toepassingen
SPATELNAALD Platte/speciale vorm die weinig schade Vooral voor corneahechtingen.
geeft
RECHTE NAALD Niet gebogen Voor een plat vlak dat loodrecht moet
worden doorstoken, bijvoorbeeld
othaematoom bij de hond
ATRAUMATISCHE Draad zit vastgeklemd in de naald; Voor weefsels waarbij minimale
NAALD geen dik oog weefselschade en minimale lekkage
belangrijk zijn. MDK, blaas.
Pagina 2 van 84
,Elise van Gool [2026]
1.1.1.1 Naald hanteren
Bij het vastpakken van de naald met de naaldvoerder moet je letten op 3 dingen:
1. Waar de naald in de bek van de naaldvoerder ligt
2. Op welke plaats je de naald vastpakt
3. Onder welke hoek de naald ten opzichte van de naaldvoerder staat (ongeveer 90°)
De naald wordt het best dicht bij de punt van de bek van de naaldvoerder vastgepakt. Als je hem
dichter bij het scharnier vastpakt, is de bek breder en is er meer kans dat de naald beschadigt of
breekt. In zacht weefsel pak je de naald meer richting het einde/oog vast. In stevig weefsel pak je
de naald dichter bij de punt vast.
Tijdens het insteken wordt het weefsel met een pincet gefixeerd, zo dicht mogelijk bij de
insteekplaats. De naaldpunt moet meteen goed geplaatst worden. Insteken gaat het makkelijkst
wanneer de naald loodrecht op de huid wordt ingebracht. De afstand tussen de insteekplaats en
de wondrand hangt af van de dikte van de laag die je hecht. Als vuistregel geldt:
afstand tot de wondrand ≈ dikte van de weefsellaag
Bij het uittrekken en doortrekken van de draad moet je zaagwerking en extra weefselschade
vermijden.
1.2 HECHTDRADEN
1.2.1 Criteria voor keuze
Je maakt een keuze voor een bepaald hechtmateriaal op basis van:
1. De treksterkte
2. De (ongewenste) weefselreactie op het draad
3. De plaats voor vestigen van infecties (mono- of multifilament)
4. Hanteringseigenschappen
1.2.2 Chemische eigenschappen
Onder de chemische eigenschappen verstaan we het vermogen van het draad om op te lossen.
Er zijn twee opties:
- Niet resorbeerbaar / onoplosbaar
Geschikt voor: huid; waar langdurige (eindeloze) treksterkte nodig is; waar je het nog kan verwijderen OF het
materiaal moet heel inert zijn.
- Resorbeerbaar / oplosbaar
Geschikt voor: waar je het niet meer kan verwijderen; waar treksterkte niet heel lang nodig is; als het dier
lastig te benaderen is.
1.2.3 Structuur
Onder structuur verstaan we of de draad gevlochten of éénkernig is, oftewel multifilament of
monofilament. Als je structuur en chemische eigenschappen samen neemt heb je de volgende
opties voor hechtmaterialen:
NATUURLIJKE HECHTMATERIALEN
RESORBEERBAAR NIET RESORBEERBAAR
MONOFILAMENT X Staaldraad
MULTIFILAMENT Catgut (cattle gut) Staaldraad
Zijde
Pagina 3 van 84
, Elise van Gool [2026]
SYNTHETISCHE HECHTMATERIALEN
RESORBEERBAAR NIET RESORBEERBAAR
MONOFILAMENT Polyglecaprone (Monocryl®) Polyamide (Ethilon®,
Polydioxanone (PDS®) Supramid®)
Polyglycolate (Maxon®) Polypropylene (Prolene,
surgilene®)
MULTIFILAMENT Polyglycolzuur (Dexon®) Polyamide (Nylon)
Polyglactin 910 (Vicryl®) Polyester (Dacron,
Mersilene®)
Vicryl (USP 6) Prolene (USP 2) Monocryl (USP 3-0)
Klassieke natuurlijke materialen zoals catgut (geeft VEEL weefselreactie), chroomcatgut en zijde
worden als verouderd beschouwd.
1.2.4 Dikte
Voor de dikte van hechtmateriaal bestaan er twee schalen voor maten.
- De metric maat (synoniem Europese Pharmacopee) USP METRIC VOORBEELD
is het duidelijkst: de diameter van de draad in tiende 6-0 0,7 Cornea
mm.
3-0 2 Darm
- De USP (United States Pharmacopee) is nog steeds
het meest gebruikt. USP is een hybride tussen dikte 0 3,5 Spierlaag kleine dieren;
en treksterkte. Met een 0 erachter is, hoe hoger hoe subcutis en huid grote
dunner; zonder is hoe hoger hoe dikker > 6-0 is heel dieren
dun en 6 is heel dik. MAAR een ander hechtmateriaal 2 5 Spierlagen, bijvoorbeeld
met dezelfde USP hoeft niet precies even dik te zijn, lebmaagoperatie
omdat het dus ook met de treksterkte te maken
6 8 Spierlagen, zwaar
heeft.
Bij GD gebruik je meestal maten USP 4-0 tot 0; Bij paard en LH gebruik je van USP 3-0 tot 6.
1.2.5 Treksterkte
De treksterkte is afhankelijk van een aantal punten:
- Wel of niet resorbeerbaar
Als een materiaal niet resorbeerbaar is zal het niet zijn treksterkte verliezen
- De snelheid van resorbeerbaarheid
Wordt uitgedrukt in de tijd tot 50% van de treksterkte. Bij oplosbaar materiaal moet je onderscheid maken
tussen verlies aan sterkte en verdwijnen uit het weefsel. Voor alle oplosbare materialen geldt dat het verlies
van sterkte veel sneller gaat dan het daadwerkelijk verdwijnen van het materiaal uit het weefsel.
NAAM STRUCTUUR STERKTE 50% STERKTE NIHIL OPGELOST
VICRYL RAPIDE® Gevlochten 5 dagen 2 weken 1 maand
VICRYL® Gevlochten 14 dagen 1 maand 3 maanden
MONOCRYL® Eénkernig 7 dagen 1 maand 3 maanden
PDS II® Eénkernig 28 dagen 2 maanden 6 maanden
Pagina 4 van 84