Oefening 1:
a) Fout, derden zijn nooit direct gebonden maar indirect gebonden, het is een
omweg
b) Fout, het is een uitzondering op de tegenwerpelijkheid (art 5.39 BW) omdat
de partijen samen, bewust naar anderen toe, de schijn wekken een
bepaalde rechtshandeling te sluiten terwijl ze in het geheim anders
overeenkomen, hierdoor kunnen derden het rechtsfeit niet erkennen en in
hun voordeel inroepen.
c) Fout, de bedinger kan het derdenbeding aanpassen en herroepen zolang
dat er geen (uitdrukkelijke of stilzwijgende) aanvaarding is van de derde-
begunstigde, vanaf dat moment is het beding onherroepelijk (art 5.107, lid
6)
d) Juist, als de derde de prestatie uitvoert, dooft de verbintenis van
sterkmaking uit (art 5.106 BW)
e) Fout, C is verplicht om het kettingbeding door te geven aan D (indien hij dit
aanvaardt heeft bij B, want dan is dit zijn plicht) maar D moet dit
kettingbeding niet noodzakelijk aanvaarden hij kan het ook miskennen, dan
komt het contract tussen C en D tot stand zonder het kettingbeding. C
begaat dan een toerekenbare niet-nakoming en A kan een beroep doen op
contractuele sancties.
Oefening 2:
De onderaanneming Depoorter heeft een rechtstreekse vordering op de
bouwheer, Glen & Sofie, volgens art 1798 oud BW. Depoorter kan zich beroepen
op de resultante verhouding en dus rechtstreeks aan Sofie & Glenn vragen om
hem te betalen.
-vereisten voor de rechtstreekse vordering (art 5.110 BW):
Geldige valutaverhouding (=band tussen hoofdschuldeiser en
hoofdschuldenaar)
Geldige verhouding tussen Glenn & Sofie en Renofail
Geldige dekkingverhouding (=band tussen hoofdschuldenaar en
onderschuldenaar)
Geldige verhouding tussen Renofail en Depoorter
Geldige resultante verhouding (=Wet moet rechtstreekse vordering
toekennen aan de hoofdschuldeiser ten opzichte van de onderschuldenaar)
ja, art 1798 oud BW
1
, Oefening 3:
Derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk: Move wist van het niet-
concurrentiebeding tussen Jarne en Nathalie en sloot het contract met Jarne toch.
(Op de derde rust er een onthoudingsplicht, hij mag niet bijdragen aan een
contractbreuk tussen de partijen)
-vereisten voor derde-medeplichtigheid aan contractbreuk (art 5.111
BW):
Geldig en een aan de derde tegenwerpelijke verbintenis tussen
contractspartijen
Verbintenis tussen Nathalie en Jarne is geldig en tegenwerpelijk aan Move
Contractuele verbintenis wordt op toerekenbare wijze niet-nagekomen
door de partijen (art 5.27 BW)
Jarne is de verbintenis met Nathalie niet nagekomen door een contract te
sluiten met Move (het is een resultaatsverbintenis en geen overmacht, art
5.72, 5.226 BW)
De derde kende of behoorde het contract tussen A en B te kennen
Move wist van het contract tussen Jarne en Nathalie (Jarne had dit vermeld)
De derde heeft desbewust deelgenomen aan de contractbreuk
Move heeft Jarne aangenomen, hoewel ze wisten dat dit tegen het contract
van Jarne en Nathalie inging
Gevolgen: herstel van schade in natura of bij equivalent Move moet het
contract met Jarne verbreken of een schadevergoeding betalen
2