= marktresultaten aggregeren ==> zicht op hele economie
Macro-economische topics
Welvaartsmaatstaf = groei van BBP
(BBP = Bruto Binnenlands Product = som van alle finale goederen
en diensten in 1 jaar in 1 land geproduceerd uitgedrukt in geld)
Y = BBP wordt gegeven aan een bepaalde gemiddelde prijs = index
BBP: meting
● 3 optieken
○ Toegevoegde waarde optiek
= waarde toegevoegd tijdens productie
=A-M
◆ A = waarde van goederen
◆ M = intermediaire goederen = goederen en diensten
betrokken als input bij eigen productie
○ Bestedingsoptiek = toegevoegde waarde naar consumptie en investeringen (W=C+I)
○ Inkomensoptiek = deel naar consumptie en deel gespaard (Y=C+S)
Afgeleide begrippen BBP
● Factoren uit formules
○ C (consumptie)
○ G (overheidsbestedingen)
◆ = Gc (overheidsconsumptie) + Gi (overheidsinvesteringen)
○ D (depreciatie) = Iv (Investeringen)
○ V (eindvoorraden)
◆ afgewerkte producten, grond- en hulpstoffen, half afgewerkte producten
○ Ti (indirecte belastingen)
○ X (uitvoer)
○ IM (invoer) = producten niet in eigen land gemaakt
○ Fo (factor ontvangsten uit het buitenland)
○ Fu (factor vergoeding aan het buitenland)
factorvergoeding aan het buitenla
,● BBP = C+Ib + G + X - IM
○ Ib(Bruto Binnenlandse kapitaalvorming) = In + D + V
○ Alles geproduceerd binnen een land
● BNP (Bruto Nationaal Product) = BBP + Fo - Fu
○ alles geproduceerd door een nationaliteit
● NBP (Netto Binnenlands product) = BBP - D
● NNP(Netto Nationaal product) = NBP + Fo - Fu
Bedenkingen / uitschakeling van de prijsinvloed
● Nominaal bbp = BBP tegen lopende prijzen
○ Som van geproduceerde goederen van dat jaar tegen de prijzen van dat jaar
○ Kan harder stijgen door inflatie
● Reeël BBP = BBP aan constante prijzen
○ Som van geproduceerde goederen van dat jaar tegen de prijzen van een bepaald
basisjaar
○ Laat wijziging in volume zien
● Impliciete prijsindex of deflator
= (Nom BBP / reeel BBP)*100
○ prijsstijging in de tijd berekenen
○ Inflatie = procentuele stijging van algemeen prijspeil
● Inkomens- of outputkloof
= verschil tussen Y(huidige productie) en Ypot(potentiële productie)
○ Y>Ypot ==> inflatie
○ Y<Ypot ==> werkloosheid
◆ structurele werkloosheid (natuurlijk)
◆ Frictionele werkloosheid (korte periode tussen het wisselen van job)(natuurlijk)
◆ Conjuncturele werkloosheid(economie draait minder goed)(onnatuurlijk)
● Maatstaven vergelijk van welvaart in landen
○ BBP (meest gangbare)
○ BBP per capita (BBP verdeeld over de inwoners) (omvang landen uitgeschakeld)
○ KKP = BBP per capita in koopkracht (verschil in koopkracht) = PPP (puchasing power
parity)
, ○ Big Mac Index (prijs van een Big Mac vanuit andere valuta omreken naar dollar =
geeft beeld op koopkracht)
● Kritiek op BBP als
○ Geen rekening met
◆ Geluk, inkomsongelijkheid
◆ thuiswerken, vrijwilligerswerk, zwartwerk
◆ Milieuvervuiling
◆ Deeleconomie
◆ Kwaliteitsverbetering en verruiming productassortiment
Macro-economische doelen
● Stabilisatiebeleid
○ BBP blijft stijgen door innovatie
○ Trend ligt lager doordat BBP in realiteit fluctueert
= conjunctuurcycli
◆ Spatie = inkomens- of outputkloof
◆ Alleen natuurlijke WLH(werkeloosheid)
○ Wegwerken recessiekloof
◆ Markt vraag laten stijgen
(Makkelijk te manipuleren door de overheid)
◆ Marktaanbod laten dalen
Macro-economisch evenwicht in de korte en in de lange termijn
● Korte termijn ==> conjunctuurcycli
● Lange termijn ==> Economische groei
==> analyse via aggregatieve vraag-/aggregatieve aanbodschema
, Aggregatieve vraag
= totale macro-economische vraag naar alle finale G&D
AV = C+I+G+NX
==> weergegeven in algemeen prijsniveau (P))
==> negatief verband door:
○ Effect op de rentevoet = (hogere P = hogere rentevoet) ==> gewenste I daalt +
consumptie aangetast
○ Effect op reële vermogen = (hogere P = daling reële waarde activa) ==> beïnvloed de
consumptie negatief
○ Effect op internationale concurrentie positie = (hoger binnenlandse P = verslechtering
internationale positie) ==> productie duurder dus export daalt
● Beweging langste AV (als P verandert)
● Verschuiving van de AV
○ Gunstige winstvooruitzichten, toegenomen afzetmogelijkheden ==> meer I
○ Product innovaties ==> aantrekkelijker product ==> NX stijgt
= autonome toename van AV ==> verschuiving naar rechts
Aggregatieve Aanbod
= verband macro-economisch aanbod en algemeen prijsniveau
==> afhankelijk van P goederen en P productiefactoren
● korte termijn (1 à 2 jaar)
= positief verband tussen prijsniveau en reël output niveau
Verklaring:
○ nominale loonrigiditeit (lonen passen zich met vertraging aan aan nieuwe prijsniveau)
P stijgt ==> reël loon daalt ==> arbeid = goedkoop ==> meer output geproduceerd
○ nominale prijsrigiditeit
AV daalt ==> prijs laten dalen, minder output leveren of beide
(Monopolistische markt = minder prijsgevoelig) als menukosten(kost om prijs aan te
passen) te hoog prijsaanpassing vermeden
==> positieve vlakke helling