Kernbegrippen
Oefenvragen
1. MC: Welke suikergroep bevindt zich in DNA? (a) Ribose (b) Glucose (c)
Desoxyribose.
2. Open: Waarom is een G-C binding stabieler dan een A-T binding?
3. Open: Wat is het doel van de S-fase in de interfase?
4. Open: Leg het verschil uit tussen de leading en de lagging strand bij DNA-
replicatie.
5. MC: In welke fase van de mitose worden de zusterchromatiden uit elkaar
getrokken? (a) Profase (b) Metafase (c) Anafase (d) Telofase.
6. Bonus: Hoeveel chromosomen heeft een menselijke cel na de S-fase?
Antwoorden Module 6
1. c) Desoxyribose.
2. Omdat G-C drie waterstofbruggen vormt en A-T slechts twee.
3. DNA-replicatie: het verdubbelen van het genetisch materiaal zodat de
dochtercellen identieke informatie krijgen.
4. De leading strand wordt in één stuk gebouwd richting de replicatievork. De
lagging strand loopt de andere kant op en wordt in stukjes (Okazaki-
fragmenten) gebouwd.
5. c) Anafase.
6. Nog steeds 46 chromosomen, maar elk chromosoom bestaat nu uit 2
zusterchromatiden (totaal 92 chromatiden).
Module 12: Erfelijkheidsleer
Oefenvragen
1. MC: Een organisme met genotype noem je: (a) Homozygoot dominant (b)
Heterozygoot (c) Homozygoot recessief.
2. Oefening: Kruis twee heterozygote planten voor bloemkleur (). Wat is de kans
op een recessieve nakomeling ()?
3. Open: Waarom kan een vader zijn kleurenblindheid nooit rechtstreeks aan zijn
zoon geven?
4. MC: Bij welk type overerving zie je een "gespikkelde" uiting van beide ouders?
(a) Intermediair (b) Dominant (c) Codominant.
5. Vraag: Wat is het fenotype van iemand met genotype in het ABO-
bloedgroepsysteem?
Antwoorden Module 12
1. b) Heterozygoot.
2. 25% (Kanstabel geeft: ).
3. Omdat een zoon van zijn vader altijd de Y-chromosoom krijgt, en het gen
voor kleurenblindheid op het X-chromosoom ligt.
4. c) Codominant (bijv. de Japanse roos of gespikkelde kippen).
5. Bloedgroep O.
Module 13 genexpressie:
Oefenvragen