Child Development
Understanding a Cultural Perspective
Auteur van het boek: Martin Packer (2017)
Uitgebreide hoofdstuksamenvatting
Vak: Ontwikkelingspsychologie
Universiteit Utrecht — Bachelor Psychologie
Behandelde hoofdstukken: 1 t/m 15
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleiding — Een cultureel perspectief op de ontwikkeling van kinderen
Hoofdstuk 2 Theoretische perspectieven in de ontwikkelingspsychologie
Hoofdstuk 3 Verweven lijnen van verandering — evolutie en sociocultuur
Hoofdstuk 4 Prenatale ontwikkeling, geboorte en de neonaat (conceptie tot 6 weken)
Hoofdstuk 5 Infancy (6 weken–12 maanden): Een praktisch begrip van de wereld
Hoofdstuk 6 Infancy (6 weken–12 maanden): Naar biologische differentiatie
Hoofdstuk 7 Toddlerhood (1–30 maanden): Een wereld van onweerstaanbare uitnodigingen
Hoofdstuk 8 Toddlerhood (1–30 maanden): Naar psychologische differentiatie
Hoofdstuk 9 Early Childhood (3–6 jaar): Hoe dingen lijken en hoe ze zijn
Hoofdstuk 10 Early Childhood (3–6 jaar): Naar binnen en buiten
Hoofdstuk 11 Middle Childhood (6–12 jaar): Het begrijpen van institutionele realiteit
Hoofdstuk 12 Middle Childhood: Naar het actuele en het mogelijke
Hoofdstuk 13 De tienerjaren (12+): Adolescent of volwassene?
Hoofdstuk 14 De tienerjaren: naar volwassenheid
Hoofdstuk 15 Samenvattend
Leeswijzer: Alle kernbegrippen, theorieën en namen staan in de tekst vetgedrukt, en zijn ook nog eens per
hoofdstuk verzameld in de bijbehorende begrippenlijst.
,HOOFDSTUK 1
Inleiding — Een cultureel perspectief op de ontwikkeling
van kinderen
1.1 Een cultureel perspectief op de ontwikkeling van kinderen
Elk kind wordt geboren in een gemeenschap met een eigen cultuur, waarin het opgroeit en waaraan het
uiteindelijk zelf bijdraagt — het reproduceert en transformeert die cultuur. Packer stelt dat de meeste
klassieke ontwikkelingspsychologie (zoals het werk van Jean Piaget) zich vooral richt op de interactie van het
kind met de fysieke omgeving, en de culturele wereld van mensen, gereedschappen en instituties
grotendeels negeert.
De centrale onderzoeksvraag van het boek is: hoe ontwikkelt een kind, dat bij de geboorte niets weet van
hoe haar cultuur werkt, de psychologische vaardigheden om aan die cultuur deel te nemen en deze te
reproduceren én te transformeren?
Belangrijke uitgangspunten van het boek:
Ontogenese (de ontwikkeling van het individu) is onderdeel van fylogenese (de evolutie van de
menselijke soort) en socioculturele evolutie (de historische verandering van menselijke samenlevingen).
Deze drie tijdsprocessen zijn met elkaar verweven, niet gescheiden.
Cultuur verandert door de tijd, en daarmee ook ontwikkeling. Veel theorieën zijn ahistorisch: ze gaan
ervan uit dat kinderen simpelweg worden wat de volwassenen om hen heen al zijn. In werkelijkheid
nemen kinderen de competenties van volwassenen niet alleen over, maar transformeren deze ook.
Cognitie is inherent sociaal. Een cultureel perspectief vermijdt de kunstmatige scheiding tussen het
“intellectuele” (cognitieve) en het “sociale” kind, een scheiding die veel leerboeken wel maken (door
cognitieve en sociale ontwikkeling in apart hoofdstukken te behandelen).
Het kind is altijd sociaal, ook als baby — juist als baby. Het kind handelt altijd in en via relaties met
andere mensen. Pas later wordt het kind een “individu” in de westerse betekenis: een autonome, vrij
kiezende persoon met rechten en verantwoordelijkheden.
Het kind is actief in zijn eigen ontwikkeling. Verzorgers organiseren de omstandigheden waarin het kind
leeft, maar bepalen niet wat het kind daarmee doet.
Cultuur is niet zomaar “context”. Cultuur “beïnvloedt” of “veroorzaakt” ontwikkeling niet zoals een
externe factor; cultuur speelt een constitutieve rol: cultuur (samen met biologie) is wat de complexiteit
van het menselijk psychologisch functioneren mogelijk maakt.
Kinderen worden normatieve dieren. Mensen leven in sociale realiteiten waarin gedrag wordt
gereguleerd door gewoonten, conventies, afspraken, regels, contracten en wetten (vergelijk John
Searle’s concept van “institutional facts” — institutionele feiten die rechten en verantwoordelijkheden
definiëren). Naast de intentional stance (theory of mind: andere mensen begrijpen in termen van
overtuigingen en verlangens) ontwikkelen kinderen ook een “normative stance”: het begrijpen van
, mensen in termen van rollen en verantwoordelijkheden. Dit thema — normativiteit — loopt als een rode
draad door het hele boek.
1.2 Organisatie van het boek
Het boek volgt een chronologische opbouw door de ontwikkelingsfasen, en behandelt in elk hoofdstuk
sociale, cognitieve, emotionele én fysieke aspecten samen (in plaats van gescheiden). Packer hanteert de
volgende terminologie voor de levensfasen:
Infancy (zuigelingenfase): geboorte tot 1 jaar — het kind heet een infant.
Toddlerhood (peuterfase): 1 jaar tot ongeveer 30 maanden — een toddler.
Early childhood (vroege kindertijd): 30 maanden tot ongeveer 6 jaar — een young child (Packer
vermijdt “preschooler”, omdat niet alle kinderen wereldwijd naar een voorschool gaan).
Middle childhood (middenkindertijd): 6 tot ongeveer 11 jaar — eenvoudigweg een child.
Adolescence (adolescentie): vanaf ongeveer 11 jaar — Packer gebruikt vaak de cultureel neutralere
term teenager.
Elk paar hoofdstukken behandelt eerst de “wereld” van een levensfase (hoe het kind de wereld ervaart en
begrijpt) en vervolgens de overgang naar (differentiatie binnen) de volgende fase.
, HOOFDSTUK 2
Theoretische perspectieven in de
ontwikkelingspsychologie
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van vijf grote theoretische perspectieven die elkaar in de geschiedenis van
de ontwikkelingspsychologie hebben opgevolgd, telkens met een andere opvatting over de rol van nature
(aanleg/biologie) versus nurture (omgeving/opvoeding).
2.1 Genetic Psychology (jaren 1890–1950)
“Genetic” verwijst hier niet naar genen, maar naar oorsprong (origins).
G. Stanley Hall (1844–1924), de eerste Amerikaanse psycholoog met een doctoraat en oprichter van de
American Psychological Association, ontwikkelde de theorie van recapitulatie: het idee dat het individu
tijdens zijn ontwikkeling de evolutionaire stadia van zijn “ras” opnieuw doorloopt (“the child and the
race are each keys to the other”). Hall beschreef adolescentie als een periode van “storm and stress” —
turbulentie veroorzaakt door de moderne beschaving. Hij richtte de Child Study Movement mee op,
gericht op grootschalig (vaak weinig methodologisch verantwoord) onderzoek naar kinderen.
Arnold Gesell (1880–1961) benaderde ontwikkeling juist rationeel en empirisch. Hij zag ontwikkeling als
groei, gestuurd door biologische maturatie (rijping), en gebruikte filmopnames in een observatiekoepel
om kindergedrag systematisch te documenteren. Zijn beroemde metafoor: “the glove goes on the hand;
the hand determines the glove” — cultuur is slechts een omhulsel dat door de (biologische)
ontwikkeling wordt gevormd, niet andersom.
Erik Erikson (1902–1994), opgeleid als freudiaans psychoanalyticus, breidde Freuds psychoseksuele
model uit naar een psychosociaal model: de mens doorloopt een reeks levensfasen, elk met een eigen
crisis (een noodzakelijk keerpunt, geen catastrofe) die wordt opgelost binnen een cultureel bepaald
moratorium (een periode van uitstel waarin men de uitdaging van die fase kan beheersen).
Methodologisch leverde deze periode belangrijke bijdragen, zoals longitudinaal onderzoek (herhaalde
meting van dezelfde personen over lange tijd, bv. de Berkeley Growth Study) en cross-sectioneel
onderzoek (vergelijking van verschillende leeftijdsgroepen op één moment), evenals
tweelingonderzoek.
2.2 Behaviorisme (jaren 1930–1950)
Het behaviorisme verwerpt aangeboren (endogene) factoren en benadrukt exogene factoren: de omgeving
“vormt” gedrag via beloning en straf. Ontwikkeling wordt gezien als een geleidelijk, continu proces zonder
kwalitatieve stadia.
John B. Watson (1878–1958) definieerde behaviorisme als een puur objectieve wetenschap die alleen
waarneembaar gedrag bestudeert; mentale toestanden (“consciousness”) zijn onwetenschappelijk
omdat ze niet observeerbaar zijn. Beroemd is zijn “Little Albert”-experiment: door een harde knal te