Examenoverzicht — alle filosofen & stromingen (H1–H11)
H1 — Problemen voor een normatieve ethiek
Waarom is het zo moeilijk morele normen te rechtvaardigen?
1. Legitimeringscrisis
• Paradox van Apel. We hebben meer dan ooit een universele ethiek nodig
(wetenschap/technologie maken problemen planetair), maar net daardoor lijkt ze onmogelijk.
– Wetenschap = formeel, inhoudsloos, waardevrij (objectief); ethiek = inhoudelijk,
waardegeladen (subjectief) → botsen.
– Mensenrechten als oplossing? Willen universeel zijn, maar zijn westers-liberaal (individu
centraal) → moeilijk transponeerbaar.
• Disjunctie feit–waarde (Hume). Feiten zeggen niets over waarden: uit “wat is” volgt niet “wat
hoort te zijn”. Je mag geen nieuwe info in de conclusie smokkelen.
– Essentie vs. existentie: oudheid/ME = essentie bepaalt existentie (goed = essentie vervullen);
modern (Sartre) = existentie bepaalt essentie (mens kiest zelf zijn waarden).
• Disjunctie doel–middel. We zijn beter in het kiezen van middelen dan van doelen: we weten hoe,
niet meer waarom.
– Weber: “Entzauberung der Welt” (onttovering); onderscheid doelrationaliteit (wetenschap,
berekenbaar) vs. waarderationaliteit (ethiek, niet berekenbaar).
2. Onze (post)moderne leefwereld
• De Dijn: “het experiment van de moderne tijd” — overgangstijd.
• Moderniteit start met ideaal van zelfbeschikking (autonomie, Verlichting), maar kent interne
tegenstrijdigheden: kiezen wij onze waarden of kiezen zij ons? (familie, cultuur kies je niet).
• Lyotard: “het einde van de grote verhalen” — religie, wetenschap, Verlichting niet meer
geloofwaardig (de feiten halen ze onderuit).
• Reacties op postmoderne situatie: individualisme, ironie, cynisme, apathie.
• Kierkegaard: radicale keuzevrijheid bevrijdt én verlamt (keuzestress zonder richtlijnen).
Grondtypes van ethisch denken
• Teleologische ethiek (doelgericht): handeling is goed als ze bijdraagt aan een waardevol doel.
– Doel = geluk (Aristoteles) / genot (hedonisme) / nut (utilitarisme). Extreem: resultaatsethiek —
doel heiligt de middelen (Machiavelli).
• Deontologische ethiek (plichtgericht): goed door de plicht/intentie, niet door het resultaat.
– Kant: handel volgens universaliseerbare maximes; mens nooit louter als middel. Levinas:
plicht ontstaat in ontmoeting met de ander.
H2 — Geluk als norm
Aristoteles (4e eeuw v.Chr.)
• Ethiek wordt zelfstandige discipline; ethiek van de vrije burger in de polis → praktisch,
maatschappelijk (geen priéthiek).
• Driedeling wetenschappen: theoria (kennis), poïesis (handelen om resultaat, vb. tafel maken),
praxis (handelen om het handelen zelf). Ethiek = praxis.
• Eudaimonistische ethiek: alles doen we uiteindelijk om gelukkig te worden. Geluk (eudaimonia)
= einddoel, een activiteit/manier van leven, geen gevoel.
– Drie componenten: activiteit van de rede; deugdzame activiteit (evenwicht rede–emoties);
secundaire voorwaarden (gezondheid, vrijheid, eer).
, • Deugdenleer: deugd = verworven karakterhouding (hexis), oefenen tot tweede natuur; ligt in het
juiste midden tussen twee ondeugden (= hoogtepunt, niet middelmatigheid;
persoonlijk/contextueel).
– Ethische deugden (karakter: moed, matigheid...) vs. dianoëtische deugden (verstand:
sophia = theoretische wijsheid; phronèsis/prudentia = praktische wijsheid, de belangrijkste
voor ethiek).
• Epicurisme (variant): Epicurus: geluk = genot. Aristoteles: genot is maar één onderdeel.
H3 — Persoon als norm
Kant (18e eeuw) — zedenwet & autonomie
• Copernicaanse wending: niet het object maar het subject bepaalt onze kennis; onze geest
structureert de werkelijkheid (prikkels → tijd/ruimte → 12 categorieën).
• Ideeën (Ik, Wereld, God) zijn regulatieve ideeën → geen echte kennis. Vrijheid/plicht zijn niet
empirisch → ethiek heeft een ander fundament dan wetenschap: de zedenwet.
• Drie praktische principes: maxime (persoonlijke regel, subjectief) → hypothetisch imperatief (als
je X wil, doe Y) → categorisch imperatief (geldt onvoorwaardelijk, voor iedereen).
– Fundering: moreel factum → goede wil → plicht → categorische imperatief.
• Drie formuleringen v.d. categorische imperatief:
– (1) Universaliteit: handel enkel volgens maximes die algemene wet kunnen worden
(vormtest).
– (2) Respect voor de persoon: mensheid altijd óók als doel, nooit louter als middel.
– (3) Autonomie: jezelf wetten geven die voor iedereen kunnen gelden (wetgever én
onderworpene).
• Moraliteit vs. legaliteit: legaliteit = volgens de wet (motief irrelevant); moraliteit = uit plicht/goede
wil (innerlijke motivatie telt).
• Fundament = vrijheid: vrijheid fundeert zichzelf, bestaat niet in de natuur (Newton = oorzaak–
gevolg) maar in het noumenale. Echte vrijheid = morele vrijheid (verantwoordelijk voor goed én
kwaad).
– Ratio cognoscendi (ken-grond: via het morele factum weten we dat we vrij zijn) vs. ratio
essendi (zijns-grond: vrijheid maakt moraliteit mogelijk).
Kant vs. Aristoteles: Aristoteles start bij geluk; Kant werkt dieper, bij het fundament (vrijheid).
Levinas (20e eeuw) — deontologisch & heteronomie
• Schrijft na WO II/Holocaust: zijn we niet de dupe van de moraal? Hele westerse ethiek herdenken.
• Twee bronnen westerse cultuur: Odysseus/Athene (terugkeer naar het Zelf — dominant) vs.
Abraham/Jeruzalem (de Ander). Westers denken is “totalitair”: wil alles vatten onder het “zijn”; wat
niet past wordt uitgesloten.
– Boek: “Totalité et infini” — totaliteit vs. oneindigheid (de Ander die niet reduceerbaar is).
Auschwitz als mogelijke uitkomst van totaliteitsdenken.
• Il y a (“er is”): het nulpunt — de wereld bestaat zonder betekenis (vs. Heidegger ‘dasein’).
Voelbaar in slapeloosheid, verveling, hedendaagse kunst.
• Het gelaat van de ander: een oproep — “doe mij geen kwaad”, “gij zult niet doden”. Ethiek begint
bij de zwakste (wees, weduwe, vreemdeling). In één ander zie ik de mensheid (epifanie).
• Heteronomie: de Ander geeft mij de wet (>< Kant: autonomie, wet uit de rede).
H4 — Het sociaal contract
Augustinus: maffia én staat vragen geld voor bescherming — verschil = staat is legitiem (gezag
erkend). Kernvraag: waarom heeft de staat gezag en wanneer is dat legitiem?
• Kernelementen: natuurtoestand (denkbeeldige beginsituatie zonder staat) → sociaal contract
(rationele overeenkomst) → staat (kunstmatige constructie). Geen historisch feit maar denkmodel.