REDENEREN
beoordelingscriterium = geldigheid
Cognitieve achtergrond
drievuldig brein (triune - reptielachtig brein (basaal brein)
brain) - oud zoogdierenbrein (limbisch brein)
- recent zoogdierenbrein (neocortex)
Humans vs Econs echte mensen vs zuiver rationele actoren
systeem 1 denken snel en intuïtief denken
- vb. na regen komt …
- ≠ ‘emotie’
systeem 2 denken traag, rationeel, analytisch denken
- vb. moeilijke rekensom
- ≠ ‘rede’
curse of knowledge als kennis vanzelfsprekend is (geworden), is deze vaak ook
moeilijker om over te dragen (Steve Pinker)
voorwaardelijke Een bepaalde zin/uitspraak vormt een voorwaarde voor een
verbanden (als… andere zin/uitspraak
dan…) (zin/uitspraak = propositie)
- vb. als het 16u is, dan begint de les
via-verbanden Een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale
(metonymie) toegang te krijgen tot andere entiteit (doelentiteit) die er in onze
ervaring nauw mee verbonden is
- 1) deel/geheel
- vb. fietsbel is stuk → fiets is stuk
- vb. de meeste Belgen zijn meertalig → die ene
Belg ook
- 2) oorzaak/gevolg
- vb. grote spelers bij de basket: ‘basket doet je
groeien’; niet waar
apofenie neigingen om linken te leggen die niets met elkaar te maken
hebben
- vb. vormen herkennen in de wolken
causale verbanden oorzaak-gevolgrelatie waarbij een gebeurtenis een andere
gebeurtenis teweegbrengt
Laura De Maeyer 1
, 6 vergissingen: (correlate → causaal verband)
- 1) baseren op zwakke correlatie
- 2) onbepaalde richting van een causaal verband
- 3) alternatieve verklaringen
- 4) overhaaste extrapolatie
- 5) vage beschrijving van de oorzaak
- 6) geen oog voor kwantitatieve gegevens
Correlatie samenhang tussen variabelen → als ene variabele verandert,
wijzigt de andere ook
stepping iets gebruiken als ‘stepping stone’ om iets anders te verklaren
stone-redenering - vb. het is niet omdat heroïnegebruikers vroeger melk
dronken dat melk een ‘stepping stone’ is
als-het-ware een concrete entiteit uit één conceptueel domein (brondomein)
verbanden (metaforen) gebruiken om een abstractere entiteit uit een andere conceptueel
domein (doeldomein) beter te begrijpen
mappings systematische set van conceptuele gelijkenissen tussen
elementen van het brondomein en elementen van het
doeldomein
Bouwstenen van redeneringen
gevolgtrekking / de activiteit waarmee je tot een besluit komt
inferentie
Redenering een aaneenschakeling van beweringen, waarbij één bewering
(conclusie) wordt afgeleid uit één of meerdere andere
beweringen (premisse(n))
binnen 1 persoon (monoloog)
- vb.
- “Als het regent, worden de straten nat.” (voorwaardelijke
premisse)
- “Het regent” (concrete/feitelijke premisse)
- Dus: “De straten worden nat” (conclusie)
(= inferieel verband)
geldig redeneren formele activiteit die losstaat van het waarheidsgehalte van de
premissen
- zuiver formeel criterium (niet gebaseerd op waarheid om
geldige redenering op te bouwen)
- vb. Als Johannesburg in China ligt, dan ligt Moskou in
Groenland.
voorwaardelijke ‘als-dan’
uitspraak - vb. “Als iemand door zijn fout schade aan een ander
veroorzaakt, dan is hij aansprakelijk.” = voorwaardelijke
uitspraak
- premisse 1:
Laura De Maeyer 2
, - “Als iemand door zijn fout schade aan een
ander veroorzaakt (=propositie 1), dan is
hij aansprakelijk”. (=propositie 2)
- premisse 2:
- “Senne heeft door zijn fout schade
veroorzaakt aan Emma.” (=propositie 1)
- conclusie: Dus:
- “Senne is aansprakelijk.” (=propositie 2)
antecedens het ‘voorafgaande’
- als …
- vb. Als iemand elke week naar de kerk gaat, dan is hij
christen (premisse 1)
- Als iemand elke week naar de kerk gaat
(=voorwaarde)
- → Komt als eerste in de uitspraak:
antecedens
- ... dan is hij christen
- → Komt als tweede in de uitspraak:
consequens
consequens het ‘er op volgende’
- dan …
- vb. Als iemand elke week naar de kerk gaat, dan is hij
christen (premisse 1)
- Als iemand elke week naar de kerk gaat →
voorwaarde
- → Komt als eerste in de uitspraak:
antecedens
- ... dan is hij christen
- → Komt als tweede in de uitspraak:
consequens
propositie kleinst mogelijke stukje uitspraak dat waar of onwaar kan zijn
- vb.
- premisse 1: Als iemand elke week naar de kerk gaat (=
propositie 1), dan is hij christen (= propositie 2)
- premisse 2: Wouter gaat elke week naar de kerk. (=
propositie 1)
- conclusie: Dus: Wouter is christen (= propositie 2)
propositie 1 = p
propositie 2 = q
geldig:
ongeldig:
Laura De Maeyer 3
, noodzakelijke als de niet-vervulling van de voorwaarde
voorwaarde ervoor zorgt dat het gevolg onmogelijk kan intreden
- “Om te slagen moet je een examen afleggen.”
- = noodzakelijk, maar niet voldoende (kan ook niet slagen)
voldoende voorwaarde als de vervulling van de voorwaarde ervoor zorgt
dat het gevolg zeker intreedt
- “Als het geregend heeft, is de straat nat.”
- = voldoende, maar niet noodzakelijk (tuinslang)
noodzakelijke en ‘als en slechts als’ ‘dan’
voldoende voorwaarde “Als je het juiste wachtwoord ingeeft, dan kan je inloggen.”
“Iemand is vrijgezel als hij nooit getrouwd is.”
“Iets is persoonsgegeven als het informatie is over een
geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.”
weerlegbare regels juridische regels: geen absolute regels, vaak “in principe”
(defeasible rules)
dispositief beschikkend gedeelte van de uitspraak
Soorten redeneringen
3 soorten - deductief
- inductief
- abductief
deductief redeneren Sterkste vorm van redeneren: conclusie volgt steeds
onomstotelijk uit premissen
- Leidt tot een logisch geldige conclusie
inductief redeneren Niet vertrekken vanuit algemene regel, maar vanuit concreet
geval (‘omgekeerde van deductief’)
abductief redeneren Zwakkere vormen van redeneren: conclusie volgt nooit
onomstotelijk uit premissen
- Conclusie is nooit logisch geldig; hoogstens waarschijnlijk
premissen waar? Dan conclusie 100% waar omwille van
logische vorm
1. deductief
redeneren
Laura De Maeyer 4
beoordelingscriterium = geldigheid
Cognitieve achtergrond
drievuldig brein (triune - reptielachtig brein (basaal brein)
brain) - oud zoogdierenbrein (limbisch brein)
- recent zoogdierenbrein (neocortex)
Humans vs Econs echte mensen vs zuiver rationele actoren
systeem 1 denken snel en intuïtief denken
- vb. na regen komt …
- ≠ ‘emotie’
systeem 2 denken traag, rationeel, analytisch denken
- vb. moeilijke rekensom
- ≠ ‘rede’
curse of knowledge als kennis vanzelfsprekend is (geworden), is deze vaak ook
moeilijker om over te dragen (Steve Pinker)
voorwaardelijke Een bepaalde zin/uitspraak vormt een voorwaarde voor een
verbanden (als… andere zin/uitspraak
dan…) (zin/uitspraak = propositie)
- vb. als het 16u is, dan begint de les
via-verbanden Een ding of entiteit gebruiken (vehikelentiteit) om mentale
(metonymie) toegang te krijgen tot andere entiteit (doelentiteit) die er in onze
ervaring nauw mee verbonden is
- 1) deel/geheel
- vb. fietsbel is stuk → fiets is stuk
- vb. de meeste Belgen zijn meertalig → die ene
Belg ook
- 2) oorzaak/gevolg
- vb. grote spelers bij de basket: ‘basket doet je
groeien’; niet waar
apofenie neigingen om linken te leggen die niets met elkaar te maken
hebben
- vb. vormen herkennen in de wolken
causale verbanden oorzaak-gevolgrelatie waarbij een gebeurtenis een andere
gebeurtenis teweegbrengt
Laura De Maeyer 1
, 6 vergissingen: (correlate → causaal verband)
- 1) baseren op zwakke correlatie
- 2) onbepaalde richting van een causaal verband
- 3) alternatieve verklaringen
- 4) overhaaste extrapolatie
- 5) vage beschrijving van de oorzaak
- 6) geen oog voor kwantitatieve gegevens
Correlatie samenhang tussen variabelen → als ene variabele verandert,
wijzigt de andere ook
stepping iets gebruiken als ‘stepping stone’ om iets anders te verklaren
stone-redenering - vb. het is niet omdat heroïnegebruikers vroeger melk
dronken dat melk een ‘stepping stone’ is
als-het-ware een concrete entiteit uit één conceptueel domein (brondomein)
verbanden (metaforen) gebruiken om een abstractere entiteit uit een andere conceptueel
domein (doeldomein) beter te begrijpen
mappings systematische set van conceptuele gelijkenissen tussen
elementen van het brondomein en elementen van het
doeldomein
Bouwstenen van redeneringen
gevolgtrekking / de activiteit waarmee je tot een besluit komt
inferentie
Redenering een aaneenschakeling van beweringen, waarbij één bewering
(conclusie) wordt afgeleid uit één of meerdere andere
beweringen (premisse(n))
binnen 1 persoon (monoloog)
- vb.
- “Als het regent, worden de straten nat.” (voorwaardelijke
premisse)
- “Het regent” (concrete/feitelijke premisse)
- Dus: “De straten worden nat” (conclusie)
(= inferieel verband)
geldig redeneren formele activiteit die losstaat van het waarheidsgehalte van de
premissen
- zuiver formeel criterium (niet gebaseerd op waarheid om
geldige redenering op te bouwen)
- vb. Als Johannesburg in China ligt, dan ligt Moskou in
Groenland.
voorwaardelijke ‘als-dan’
uitspraak - vb. “Als iemand door zijn fout schade aan een ander
veroorzaakt, dan is hij aansprakelijk.” = voorwaardelijke
uitspraak
- premisse 1:
Laura De Maeyer 2
, - “Als iemand door zijn fout schade aan een
ander veroorzaakt (=propositie 1), dan is
hij aansprakelijk”. (=propositie 2)
- premisse 2:
- “Senne heeft door zijn fout schade
veroorzaakt aan Emma.” (=propositie 1)
- conclusie: Dus:
- “Senne is aansprakelijk.” (=propositie 2)
antecedens het ‘voorafgaande’
- als …
- vb. Als iemand elke week naar de kerk gaat, dan is hij
christen (premisse 1)
- Als iemand elke week naar de kerk gaat
(=voorwaarde)
- → Komt als eerste in de uitspraak:
antecedens
- ... dan is hij christen
- → Komt als tweede in de uitspraak:
consequens
consequens het ‘er op volgende’
- dan …
- vb. Als iemand elke week naar de kerk gaat, dan is hij
christen (premisse 1)
- Als iemand elke week naar de kerk gaat →
voorwaarde
- → Komt als eerste in de uitspraak:
antecedens
- ... dan is hij christen
- → Komt als tweede in de uitspraak:
consequens
propositie kleinst mogelijke stukje uitspraak dat waar of onwaar kan zijn
- vb.
- premisse 1: Als iemand elke week naar de kerk gaat (=
propositie 1), dan is hij christen (= propositie 2)
- premisse 2: Wouter gaat elke week naar de kerk. (=
propositie 1)
- conclusie: Dus: Wouter is christen (= propositie 2)
propositie 1 = p
propositie 2 = q
geldig:
ongeldig:
Laura De Maeyer 3
, noodzakelijke als de niet-vervulling van de voorwaarde
voorwaarde ervoor zorgt dat het gevolg onmogelijk kan intreden
- “Om te slagen moet je een examen afleggen.”
- = noodzakelijk, maar niet voldoende (kan ook niet slagen)
voldoende voorwaarde als de vervulling van de voorwaarde ervoor zorgt
dat het gevolg zeker intreedt
- “Als het geregend heeft, is de straat nat.”
- = voldoende, maar niet noodzakelijk (tuinslang)
noodzakelijke en ‘als en slechts als’ ‘dan’
voldoende voorwaarde “Als je het juiste wachtwoord ingeeft, dan kan je inloggen.”
“Iemand is vrijgezel als hij nooit getrouwd is.”
“Iets is persoonsgegeven als het informatie is over een
geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.”
weerlegbare regels juridische regels: geen absolute regels, vaak “in principe”
(defeasible rules)
dispositief beschikkend gedeelte van de uitspraak
Soorten redeneringen
3 soorten - deductief
- inductief
- abductief
deductief redeneren Sterkste vorm van redeneren: conclusie volgt steeds
onomstotelijk uit premissen
- Leidt tot een logisch geldige conclusie
inductief redeneren Niet vertrekken vanuit algemene regel, maar vanuit concreet
geval (‘omgekeerde van deductief’)
abductief redeneren Zwakkere vormen van redeneren: conclusie volgt nooit
onomstotelijk uit premissen
- Conclusie is nooit logisch geldig; hoogstens waarschijnlijk
premissen waar? Dan conclusie 100% waar omwille van
logische vorm
1. deductief
redeneren
Laura De Maeyer 4