Macro-economie
, H04: Macro-economische grootheden
4.1 + 4.2 + 4.5 bekijken we het iets beknopter
4.5 + 4.6 valt weg, niet kennen
Recente cijfers (Nationale rekeningen – NBB)
Nominaal BBP (= Bruto Binnenlands Product) 2024: 614,5 miljard euro
Dit is de totale waarde van alle goederen en diensten die in 2024 in België zijn
geproduceerd, uitgedrukt in huidige prijzen (inclusief inflatie).
Reëel BBP 2024: 525 miljard euro
Dit cijfer houdt rekening met inflatie en weerspiegelt de werkelijke hoeveelheid
geproduceerde goederen en diensten.
Economische groei 2024: 1%
De totale productie in België is in 2024 met 1% toegenomen ten opzichte van 2023, wat
betekent dat de economie reëel is gegroeid.
Het BBP heeft enorme nadelen:
Kapot schip + olie opkuisen ➔ nieuwe tewerkstellingen
voor mensen, jobs die vrijkomen ➔ BBP stijgt!!
Het klimaat lijdt hier enorm onder in dit voorbeeld!
PS: GDP = BBP
4.0 Inleiding
Macro-economie = deel van de economische wetenschap dat kijkt naar het geheel van
de economie, niet naar één persoon of bedrijf, maar naar grote groepen zoals: een héél
land (zoals België), Europa als geheel, handelsrelaties tussen landen, …
Alle economische “agenten” of “huishoudingen” worden in samenhang bestudeerd →
het onderzoekt hoe alle mensen, bedrijven en overheden samen de economie
beïnvloeden, bijvoorbeeld:
Hoeveel een land produceert, hoeveel mensen er werk hebben, hoe snel de prijzen
stijgen (inflatie), of de economie groeit of krimpt …
De 4 grote agenten of huishoudingen: gezinnen, bedrijven, overheid, buitenland
Maar wat doen die huishoudingen nu juist ?
,4.1 De economische kringloop
De activiteiten van die huishoudingen die de macro-economie bestudeert zijn:
• De gezinnen consumeren (C) & sparen (S) & belastingen betalen
• De bedrijven investeren (I) & produceren
• De overheid belast (T) en consumeert (G)
• Het buitenland: België exporteert naar (X) en importeert van (M) het buitenland
De economische kringloop geeft schematisch de interacties weer tussen de grote
groepen:
1. De gezinnen stellen productiefactoren (arbeid, natuur, gronden …) ter
beschikking voor bedrijven. In ruil voor onze arbeid krijgen wij geld/beloning .
2. Met die beloning consumeren we alle goederen die we in de bedrijven hebben
geproduceerd dankzij onze arbeid
4.2 De berekening van de economische activiteit
, Als bedrijven investeren, 3 soorten investeringen:
Vervangingsinvestering: Bedrijven kopen nieuwe machines of gebouwen om versleten
oude te vervangen. → Dit zorgt niet voor meer productie, maar houdt de bestaande
capaciteit in stand.
Uitbreidingsinvestering: Bedrijven investeren om meer te kunnen produceren. → De
productiecapaciteit vergroot.
• Breedte-investeringen*
Bedrijven kopen meer machines én nemen meer arbeiders aan.
Kapitaalintensiteit blijft gelijk (de verhouding tussen kapitaal en arbeid
verandert niet).
• Diepte-investeringen*
Bedrijven kopen meer machines, maar nemen geen extra arbeiders aan.
Kapitaalintensiteit stijgt (er wordt meer kapitaal gebruikt per arbeider).
Voorraadinvesteringen: Bedrijven slaan meer goederen op dan ze verkopen.
+ Investering: als de voorraad toeneemt
- Desinvestering: als de voorraad afneemt
* Kapitaalintensiteit = K/L = ingezette hoeveelheid kapitaal op ingezette hoeveelheid arbeiders.
Breiden de investeringen in kapitaalgoederen uit zonder dat er meer arbeiders worden ingezet,
dan stijgt de kapitaalsintensiteit
Bruto-investeringen = vervangingsinvesteringen + netto-investeringen
Netto-investeringen = uitbreidingsinvesteringen + voorraadwijzigingen (+ of -)
Economische kringloop: hoe alles met elkaar
verbonden is
1) Productie
Bedrijven maken goederen en diensten.
Hiervoor gebruiken ze arbeid van gezinnen.
2) Inkomen
In ruil voor hun arbeid krijgen gezinnen loon.
Dit loon is hun inkomen.
3) Bestedingen
Gezinnen gebruiken dat inkomen om producten te kopen.
Ze besteden dus hun geld aan wat bedrijven produceren.
En dan opnieuw...
Door die bestedingen kunnen bedrijven weer produceren.
De kringloop begint opnieuw.