&
PRIJZEN
,INHOUD
Deel 1: rationeel vraag- en aanbodgedrag ..............................................................................................
3
Module 1: comsumptie en vraag.........................................................................................................
3
Deel 1: determinanten van de vraag ...............................................................................................
3
Deel 2: het keuzemodel grafisch .....................................................................................................
5
Deel 3: het keuzemodel algebraïsch ............................................................................................. 11
Deel 4: het arbeidsaanbod ............................................................................................................
12
Deel 5: intertemporele budgetbeperking .....................................................................................
15
Deel 6: van theorie nr empirie: schatten v vraagfct s vanuit de waarnemingen ............................
16
Module 2: productie en aanbod ........................................................................................................
19
Deel 1: bedrijfseconomische aspecten ..........................................................................................
19
Deel 2: isokwanten, marginale technische substitutievoet en de inputbeslissing ....................... 24
Deel 3: van theorie naar empire: schatten van productiefuncties vanuit de waarnemingen ...... 26
Deel 4: de outputbeslissing van de onderneming .........................................................................
30
Deel 5: de outputbeslissing van de onderneming: enkele uitbreidingen ..................................... 36
Deel 2: het gedrag van bedrijven onder verschillende marktvormen .................................................. 41
Module 3: extreme marktvormen; monopolie en volmaakte mededinging .................................... 41
Deel 1: volmaakte mededinging ....................................................................................................
41
Deel 2: monopolie .........................................................................................................................
46
Module 4: realistische marktvormen I. oligopolie ............................................................................
52
Deel 1: basistheorie .......................................................................................................................
52
Deel 2: enkele praktische voorbeelden van speltheoretische situaties ........................................
57
Deel 3: enkele verfijningen van de basistheorie ........................................................................... 57
2
, Module 5: realistische marktvormen II. productdifferentatie, zoekkosten en asymmetrische
informatie: en welvaartsanalyse van marktvormen .........................................................................
59
Deel 1: realistische marktvormen II. productdifferentatie, zoekkosten en asymmetrische
informatie ......................................................................................................................................
59
Deel 2: welvaartsanalyse van marktvormen .................................................................................
66
DEEL 1: RATIONEEL VRAAG- EN AANBODGEDRAG
MODULE 1: COMSUMPTIE EN VRAAG
DEEL 1: DETERMINANTEN VAN DE VRAAG
1. SITUERING
Situering bnn de opleiding: we zullen het hebben over beslissingsproces bnn gezinnen en bedrijven ➔
Eerste instantie: “de consument” = gezin dat consumptiebeslissingen neemt
Belang bnn opleiding ‘bedrijfseconomie’:
- Bedr moeten correcte beslissingen knn nemen => ze moeten inzicht hebben in de vraag nr
het product
- Gezinnen bieden productiefactoren aan => deze aanbodbeslissingen hangen nauw samen
met consumptiebeslissingen
- Bedr zijn vragers/cons van productiefact/inputs
Situering bnn gedeelte over consumptiegedrag: in eerste instantie richten we ons op fact die vraag
van gezinnen verklaren
2. ENKELE BASISVERONDERSTELLINGEN
Discussie eenvoudig houden => aantal vereenvoudigende veronderstelling
1) Totale budget dat bestemd is vr aankoop van consumptiegoed ligt vast
2) ‘inkomen’ = ‘budget’ = ‘totale uitgaven’
3. BEPALENDE FACTOREN VAN DE INDIVIDUELE VRAAG
Alg vraagfunctie v/e individuele cons: qvi = fi{p, pa, pb, …, y, seizoen, gezinsgrootte, …}
➔ Qv = vraag nr goed i
➔ Functie v: prijs v goed i, prijs v andere goedn, ink y vd cons …
3
, Prijzen en ink
Beslissingsprobleem
➔ Doelst: goedn kopen die vr zichzelf het best zijn
➔ Mogelijkhedenverz: verz v alle goednbundels die haalbaar zijn met geg budget onder geg
prijzen vd verschillende goedn = budgetbeperking (bepaald dr prijzen en ink)
Eigen prijselasticiteit
εp = meet verandering id vraag nr goed bij verandering id prijs v dat goed
➔ |εp| > 1: prijselast V
➔ |εp| < 1: prijsinelast V
➔ |εp| = 1: volkomen prijsinelast V
➔ |εp| = oneindig: perf prijselast V
Uiteindelijke prijseffect is resultante v 2 effecten
➔ Substitutie-effect: p stijgt => andere goedn w relatief aantrekkelijker => V daalt (negatief)
➔ Inkomens-effect: p stijgt => koopkracht vh ink daalt => budgetbeperking wijzigt (pos of neg) o
Normale goedn: daling ink => lagere consumptie (positief) o Inferieure goedn: daling ink =>
hogere consumptie (negatief)
Nrm is tot prijseffect neg
Giffengoedn = goedn waarbij inkeffect sterker is dan substitutie-effect: V stijgt als p stijgt
Inkomenselast
= meet verandering id vraag nr een goed bij verandering ih ink vd cons
(q q/ ) q y
y = =
(y y/ ) y q
➔ Inkelast > 0 => normaal goed: consumptie neemt toe als ink toeneemt → 2 categorieën:
o Inkelast > 1 => luxegoedn: budgetaandeel neemt toe als ink toeneemt
o 1 > inkelast > 0 => noodzakelijke goedn: budgetaandeel neemt af als ink
toeneemt ➔ Inkelast < 0 => inferieur goed: consumptie neemt af als ink toeneemt
! Sommige goedn zijn nt-inferieur bij lage ink, maar w inferieur bij hogere ink
Budgetaandel: wi = (piqi)/y
➔ Waarde wi geeft dus aandeel vh budget y dat besteed w aan elk goed i
Samenvattende tabel:
Inferieur goed Inkelast < 0 Consumptie neemt af Budgetaandeel neemt
met ink af met ink
Noodzakelijk goed 0 < inkelast < 1 Consumptie neemt toe Budgetaandeel neemt
met ink af met ink
Luxegoed Inkelast > 1 Consumptie neemt toe Budgetaandeel neemt
4