VOORBEELDEXAMENVRAGEN PMCI
1 MEERKEUZE VRAGEN
1. Slechts één van de onderstaande stellingen is correct. Welke?
A. De overdrachtsrelatie wordt bepaald door vroegere ervaringen binnen de interventie.
B. Het benadrukken van de positieve kanten van slecht nieuws is een voorbeeld van het bagatelliseren van het te
brengen slechte nieuws.
C. In de hulpverlening is de congruentie tussen de beleving van de betrokkene en de feitelijke werkelijkheid een
prioritair aandachtspunt, waardoor de hulpverlening indirect bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen van
justitie.
D. Een hulpverlener moet als coach nagaan of een cliënt zowel de vaardigheden als het vertrouwen heeft om
nieuw gedrag te stellen. Wanneer de cliënt enkel voldoet aan de resultaatsverwachting, is er twijfel over het
eigen kunnen.
→ C (A is fout: de overdrachtsrelatie wordt bepaald door ervaringen buiten de interventie, uit het verleden. B is
fout: positieve kanten benadrukken = "de pil vergulden", niet bagatelliseren. D is fout: twijfel over eigen kunnen
= ontbrekende zelfeffectiviteitsverwachting, niet de resultaatsverwachting.)
2. Met betrekking tot de principes van communicatie en het gebruik van gespreksvaardigheden geldt dat:
A. deze in het kader van een anamnestisch interview ondergeschikt zijn aan de meta-communicatieve
vaardigheden.
B. bij het doorvragen en verdiepen van informatie idealiter gebruik wordt gemaakt van het VOL-principe.
C. de W+H-vragen gerichte vragen zijn die een risico op korte antwoorden en passiviteit van de bevraagde
inhouden.
D. analoge communicatie een eenduidige vorm van communicatie is die betekenis geeft aan de professionele
relatie.
→ B (A is fout: metacommunicatieve vaardigheden zijn aanvullend, niet superieur. C is fout: W+H-vragen zijn
open vragen die net uitgebreide antwoorden uitlokken. D is fout: analoge communicatie is net meerduidig —
lichaamstaal en toon kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.)
3. Slechts één van de onderstaande stellingen is correct. Welke?
A. Hulpverleners die slecht nieuws meedelen, moeten zich hoeden voor contra-agressie door degene aan wie het
slechte nieuws werd meegedeeld.
B. Evocerende reflecties, waarbij de therapeut concrete feitelijkheden herhaalt en het perspectief van anderen ten
aanzien van de cliënt benadrukt, zijn een niet-helpende uiting van empathie.
C. Bij de interactie tussen personen geldt dat het betrekkingsaspect van communicatie bij eenzelfde
inhoudsaspect de betekenis van een boodschap bepaalt.
D. De speciële anamnese is onder meer gericht op het in kaart brengen van de oriëntatie in tijd, plaats en
persoon, het bewustzijn en de concentratie van de cliënt.
→ C (A is fout: contra-agressie is een reactie van de hulpverlener zelf op agressie van de cliënt — de
hulpverlener moet zich hoeden voor zijn eigen contra-agressie, niet voor die van de cliënt. B is fout: evocerende
reflecties zijn net wél een helpende vorm van empathie. D is fout: oriëntatie in tijd/plaats/persoon hoort bij de
algemene anamnese, niet de speciële.)
, 2
4. Welke van de onderstaande stellingen met betrekking tot het opstellen van een delictscenario is correct?
A. De keuze om een delictscenario op te stellen vanaf zes uur voor het delict is gebaseerd op kennis over de
werking van het geheugen en theorieën over de totstandkoming van delicten.
B. In de confrontatiefase krijgt het delictscenario meer emotionele lading, onder meer met als doel de cliënt meer
verantwoordelijkheid voor het delict op zich te laten nemen.
C. Ontkenningsmechanismen in hoofde van de cliënt leiden ertoe dat het opstellen van een delictscenario niet
mogelijk is.
D. De educatieve fase is erop gericht de leemtes in de vaardigheden van de cliënt om een delictscenario op te
stellen op te vullen.
→ A (B is fout: emotionele lading en verantwoordelijkheid zijn doelen van het delictscenario in het algemeen,
niet specifiek van de confrontatiefase. C is fout: ontkenning is een obstakel maar maakt het opstellen niet
onmogelijk — het vraagt een aangepaste aanpak. D is fout: de educatieve fase legt uit wat een delictscenario is
en waartoe het dient, niet het opvullen van vaardigheidstekorten.)
5. Wanneer ik me comfortabel voel om nieuwe en nog onbekende zaken te ondernemen en vermijd om in
groep kritiek te uiten, past mijn culturele oriëntatie het meeste bij:
A. een hedonistische (indulgence) en hoge contextcultuur.
B. een lage contextcultuur met een hoge machtsafstand.
C. een collectivistische en lage contextcultuur.
D. een hoge contextcultuur met een hoge tolerantie voor ambiguïteit.
→ D (Comfortabel met het onbekende = hoge tolerantie voor ambiguïteit. Kritiek vermijden in groep = hoge
contextcultuur waarbij impliciete communicatie en harmonie primeren. A is fout: hedonisme gaat over
genotsgerichtheid, niet over ambiguïteitstolerantie. C is fout: lage contextcultuur = alles expliciet benoemen, wat
haaks staat op het vermijden van kritiek in groep.)
6. Een rechter beslist om een veroordeelde bijkomende toezichtmaatregelen en een behandeltraject op te
leggen. Bij het meedelen van dit nieuws stelt de rechter dat deze beslissing de veroordeelde de kans biedt
om de eigen levensstijl te veranderen en eruit te leren. Dit is een voorbeeld van:
A. De pil vergulden.
B. Bagatelliseren.
C. Moraliseren.
D. Geen van voorgaanden.
→ A (De pil vergulden = het slechte nieuws afzwakken door de positieve kanten te benadrukken. Bagatelliseren
= het nieuws voorstellen als minder belangrijk dan het is. Moraliseren = betuttelend zeggen dat de persoon zich
niet moet aanstellen. Hier worden de groeikansen benadrukt om het nieuws draaglijker te maken = de pil
vergulden.)
7. Welke stelling over onderhandelen en bemiddelen is niet correct?
A. Bemiddeling geeft meer autonomie aan de betrokken partijen dan een klassiek proces voor de bevoegde
rechtbank.
B. Bemiddeling gaat vooraf aan en vormt de basis voor het voeren van een succesvolle onderhandeling.
C. De prioritering van de alternatieven tijdens een onderhandeling leidt tot de aanduiding van een BATNA, ook
wel een 'plan B' genoemd.
1 MEERKEUZE VRAGEN
1. Slechts één van de onderstaande stellingen is correct. Welke?
A. De overdrachtsrelatie wordt bepaald door vroegere ervaringen binnen de interventie.
B. Het benadrukken van de positieve kanten van slecht nieuws is een voorbeeld van het bagatelliseren van het te
brengen slechte nieuws.
C. In de hulpverlening is de congruentie tussen de beleving van de betrokkene en de feitelijke werkelijkheid een
prioritair aandachtspunt, waardoor de hulpverlening indirect bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen van
justitie.
D. Een hulpverlener moet als coach nagaan of een cliënt zowel de vaardigheden als het vertrouwen heeft om
nieuw gedrag te stellen. Wanneer de cliënt enkel voldoet aan de resultaatsverwachting, is er twijfel over het
eigen kunnen.
→ C (A is fout: de overdrachtsrelatie wordt bepaald door ervaringen buiten de interventie, uit het verleden. B is
fout: positieve kanten benadrukken = "de pil vergulden", niet bagatelliseren. D is fout: twijfel over eigen kunnen
= ontbrekende zelfeffectiviteitsverwachting, niet de resultaatsverwachting.)
2. Met betrekking tot de principes van communicatie en het gebruik van gespreksvaardigheden geldt dat:
A. deze in het kader van een anamnestisch interview ondergeschikt zijn aan de meta-communicatieve
vaardigheden.
B. bij het doorvragen en verdiepen van informatie idealiter gebruik wordt gemaakt van het VOL-principe.
C. de W+H-vragen gerichte vragen zijn die een risico op korte antwoorden en passiviteit van de bevraagde
inhouden.
D. analoge communicatie een eenduidige vorm van communicatie is die betekenis geeft aan de professionele
relatie.
→ B (A is fout: metacommunicatieve vaardigheden zijn aanvullend, niet superieur. C is fout: W+H-vragen zijn
open vragen die net uitgebreide antwoorden uitlokken. D is fout: analoge communicatie is net meerduidig —
lichaamstaal en toon kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.)
3. Slechts één van de onderstaande stellingen is correct. Welke?
A. Hulpverleners die slecht nieuws meedelen, moeten zich hoeden voor contra-agressie door degene aan wie het
slechte nieuws werd meegedeeld.
B. Evocerende reflecties, waarbij de therapeut concrete feitelijkheden herhaalt en het perspectief van anderen ten
aanzien van de cliënt benadrukt, zijn een niet-helpende uiting van empathie.
C. Bij de interactie tussen personen geldt dat het betrekkingsaspect van communicatie bij eenzelfde
inhoudsaspect de betekenis van een boodschap bepaalt.
D. De speciële anamnese is onder meer gericht op het in kaart brengen van de oriëntatie in tijd, plaats en
persoon, het bewustzijn en de concentratie van de cliënt.
→ C (A is fout: contra-agressie is een reactie van de hulpverlener zelf op agressie van de cliënt — de
hulpverlener moet zich hoeden voor zijn eigen contra-agressie, niet voor die van de cliënt. B is fout: evocerende
reflecties zijn net wél een helpende vorm van empathie. D is fout: oriëntatie in tijd/plaats/persoon hoort bij de
algemene anamnese, niet de speciële.)
, 2
4. Welke van de onderstaande stellingen met betrekking tot het opstellen van een delictscenario is correct?
A. De keuze om een delictscenario op te stellen vanaf zes uur voor het delict is gebaseerd op kennis over de
werking van het geheugen en theorieën over de totstandkoming van delicten.
B. In de confrontatiefase krijgt het delictscenario meer emotionele lading, onder meer met als doel de cliënt meer
verantwoordelijkheid voor het delict op zich te laten nemen.
C. Ontkenningsmechanismen in hoofde van de cliënt leiden ertoe dat het opstellen van een delictscenario niet
mogelijk is.
D. De educatieve fase is erop gericht de leemtes in de vaardigheden van de cliënt om een delictscenario op te
stellen op te vullen.
→ A (B is fout: emotionele lading en verantwoordelijkheid zijn doelen van het delictscenario in het algemeen,
niet specifiek van de confrontatiefase. C is fout: ontkenning is een obstakel maar maakt het opstellen niet
onmogelijk — het vraagt een aangepaste aanpak. D is fout: de educatieve fase legt uit wat een delictscenario is
en waartoe het dient, niet het opvullen van vaardigheidstekorten.)
5. Wanneer ik me comfortabel voel om nieuwe en nog onbekende zaken te ondernemen en vermijd om in
groep kritiek te uiten, past mijn culturele oriëntatie het meeste bij:
A. een hedonistische (indulgence) en hoge contextcultuur.
B. een lage contextcultuur met een hoge machtsafstand.
C. een collectivistische en lage contextcultuur.
D. een hoge contextcultuur met een hoge tolerantie voor ambiguïteit.
→ D (Comfortabel met het onbekende = hoge tolerantie voor ambiguïteit. Kritiek vermijden in groep = hoge
contextcultuur waarbij impliciete communicatie en harmonie primeren. A is fout: hedonisme gaat over
genotsgerichtheid, niet over ambiguïteitstolerantie. C is fout: lage contextcultuur = alles expliciet benoemen, wat
haaks staat op het vermijden van kritiek in groep.)
6. Een rechter beslist om een veroordeelde bijkomende toezichtmaatregelen en een behandeltraject op te
leggen. Bij het meedelen van dit nieuws stelt de rechter dat deze beslissing de veroordeelde de kans biedt
om de eigen levensstijl te veranderen en eruit te leren. Dit is een voorbeeld van:
A. De pil vergulden.
B. Bagatelliseren.
C. Moraliseren.
D. Geen van voorgaanden.
→ A (De pil vergulden = het slechte nieuws afzwakken door de positieve kanten te benadrukken. Bagatelliseren
= het nieuws voorstellen als minder belangrijk dan het is. Moraliseren = betuttelend zeggen dat de persoon zich
niet moet aanstellen. Hier worden de groeikansen benadrukt om het nieuws draaglijker te maken = de pil
vergulden.)
7. Welke stelling over onderhandelen en bemiddelen is niet correct?
A. Bemiddeling geeft meer autonomie aan de betrokken partijen dan een klassiek proces voor de bevoegde
rechtbank.
B. Bemiddeling gaat vooraf aan en vormt de basis voor het voeren van een succesvolle onderhandeling.
C. De prioritering van de alternatieven tijdens een onderhandeling leidt tot de aanduiding van een BATNA, ook
wel een 'plan B' genoemd.