H0 DIDACTISCHE KRACHTLIJNEN
Didactische krachtlijnen => goede les
0.1 BETEKENISVOLLE SITUATIES
→ Wiskunde linken aan de echte wereld & leefwereld van leerlingen
Verwiskundigen = werkelijkheid naar wiskunde
Vb: aantal bussen berekenen die nodig zijn voor de uitstap
betekenis geven = wiskunde naar werkelijkheid
Vb: 3 × 8 = 24 → drie zakjes van acht snoepjes.
→ tussen de twee: dubbelrichtingsverkeer = belangrijke vaardigheid
=> leerlingen ontdekken praktische en maatschappelijke nut van wiskunde
=> Motivatie en betrokkenheid verhogen.
=> Probleemoplossend denken stimuleren.
Pijlers die eraan gekoppeld kunnen worden:
- Aanschouwelijkheid.
- Herhaling.
- (Inter)activiteit.
0.2 CSA-PRINCIPE
C = Concreet = materialen → 1 soort per les, anders gedoe vb plasticine
S = Schematisch = tekening, schema, stappenplan ter ondersteuning vb MAB tekenen
A = Abstract = verwoording/bewerking vb 198 + 242 ...
→ Triple code model = hoe getallen verwerken → de drie werken constant samen
- Analoge magnitude-code = intuïtief gevoel.
- Visueel-analytische code = getallen als symbolen.
- Verbaal-additieve code = getallen verwoorden.
→ te moeilijk? => stapjes terugzetten = remediëren
→ nieuwe leerstof aanbrengen? => stapjes allemaal volgen
→ Hoe ouder de leerling, hoe sneller naar abstract.
Hoe jonger de leerling, hoe meer concreet.
0.3 HANDELINGSNIVEAU VAN GALPERIN
→ stapjes terugzetten/overslaan als het te moeilijk/makkelijk is
→ je moet op elke stap oefenen
Materieel handelen = concreet materiaal + verwoorden vb 12 koekjes verdelen over 3 leerlingen (echt doen + verwoorden)
Perceptueel handelen = kijken + verwoorden → doel in gedachten houden vb leerkracht doet voor en lln kijken
Verbaal handelen = verwoorden = erover praten
Mentaal handelen = denkwerk = in hoofd bezig vb oefening zelfstandig oplossen
Marie Robyns - 2026
,0.4 INZICHTELIJKE AANPAK
Alles heeft een uitleg nodig => weten wat je doet, geen trucjes
= leerlingen begrijpen de betekenis van een begrip met alle deelhandelingen in de redenering
=> Vertrouwen in eigen redeneervermogen neemt toe
=> je kan erop terugvallen als je vast zit
→ leerkracht brengt dit inzicht aan, in stapjes opbouwen (CSA)
0.5 BELANG VAN CORRECT WISKUNDIG VERWOORDEN
= Aandacht voor correcte verwoording en vakterminologie/vaktaal
vb breukstreep ≠ lijntje tussen de getallen
vermijd dit niet!! Verbeter leerlingen en laat ze het herhalen
0.6 AUTOMATISEREN
Automatiseren ≠ memoriseren
Vb maaltafels: 3 + 3 + 3 = 9 => 3 × 3 = 9
Inzicht + oefenen → parate kennis / automatisatie
=> Werkgeheugen minder belast => meer ruimte voor andere leerstof.
0.7 INDUCTIEF EN DEDUCTIEF WERKEN
→ Beide afwisselend gebruiken met doordachte afwisseling (niet afwisselen om af te wisselen)
=> structureren van de lesopbouw in functie vd leerstof, leerlingen en mate van differentiatie
Inductief = Voorbeelden → wetmatigheid.
Deductief = Wetmatigheid → voorbeelden.
EDI werkt meestal deductief.
Keuze van voorbeelden:
- Leerlingen mogen niet afgeleid worden.
- Alle variaties binnen een regel aan bod laten komen
- Vermijden wat nog niet geleerd werd.
Differentiatie blijft belangrijk.
Marie Robyns - 2026
, H1 GETALLENKENNIS
1.1 FUNCTIES VAN GETALLEN
Zelfde getallen in verschillende contexten => verschillende betekenissen
-> Leerlingen moeten getallen in de juiste context kunnen plaatsen
-> is voor leerlingen heel abstract => komt in alle jaren aan bod
Correct wiskundig verwoorden -> functies van getallen juist verwoorden
-> cijfer versus getal
CSA-principe -> in stapjes aanbrengen vb. met verpakkingen
Betekenisvolle situaties -> betrokkenheid omhoog
HERHALING!
-> niet enkel tijdens wiskunde
-> elke gelegenheid grijpen
-> automatiseren vraagt tijd en vaardigheden
GETAL ALS HOEVEELHEID
-> vaardigheid: classificatie
-> aantal: "hoe heb je van iets"
=> leerlingen moeten - getalbegrip hebben (woord – hoeveelheid – symbool)
- getallen juist kunnen uitspreken
GETAL ALS RANGORDE
-> vaardigheid: seriatie = kunnen rangschikken
=> leerlingen moeten: - een telrij kunnen opzeggen (op en af)
- synchroon kunnen tellen
- rangtelwoorden kunnen begrijpen (bepaalde & onbepaalde)
GETAL ALS CODE
-> komt al van jongs af aan in hun leven => herkennen het snel
-> duidelijk maken dat code niets te maken heeft met rangorde
GETAL ALS VERHOUDING
-> bij oudere leerlingen geen probleem, bij jongere leerlingen geen zin om aan te brengen
-> leerlingen moeten voldoende breukbegrip hebben & vertrouwd zijn met het uitdrukken ervan
-> verhouding: maatgetal-maateenheid = makkelijker
-> vaak met maat maar soms zonder maateenheid vb. 5,42 cm/u / wedstrijdscore
=> Context bepaalt de functie van een getal!
Marie Robyns - 2026