HERVERKAVELING
HET PARTIJLANDSCHAP
Het partijlandschap in de aanloop naar de verkiezingen van 1999 vormt het uitgangspunt
van dit hoofdstuk. De kerngebeurtenis die wordt besproken, zijn de paarse jaren: de
twee regeringen van Guy Verhofstadt, die België bestuurden van 1999 tot 2007. Deze
periode betekende een belangrijke cesuur in de Belgische politieke geschiedenis. De
paarse coalities kwamen tot stand onder invloed van een West-Vlaamse opstand en
andere politieke ontwikkelingen die het Belgische politieke landschap ingrijpend
veranderden.
Het partijlandschap (1958-1999)
De evolutie van de Belgische politieke verhoudingen gedurende de periode 1958-1999 is
van groot belang om het hedendaagse partijlandschap te begrijpen. Een grafiek die de
samenstelling van de Kamer van Volksvertegenwoordigers over een periode van honderd
jaar (1919-2019) weergeeft, toont duidelijk hoe de electorale krachtsverhoudingen in
België zijn veranderd.
Een opvallend kenmerk van de periode 1958-1999 is dat één politieke familie
onafgebroken deel uitmaakt van de federale regering: de christendemocratische
1
,partijfamilie. Na de splitsing van de unitaire partij in de Vlaamse CVP en de Franstalige
PSC bleef deze politieke familie voortdurend aan de macht. Dit maakt van deze periode
een belangrijk keerpunt in de Belgische politieke geschiedenis.
In 1958 waren de drie traditionele partijfamilies — de christendemocraten, socialisten
en liberalen — samen goed voor vrijwel 100% van de zetels in de Kamer. Zij
monopoliseerden de politieke macht en verdeelden de regeringsverantwoordelijkheid
onder elkaar.
Vanaf de jaren zestig en zeventig kregen deze traditionele partijen echter concurrentie
van de zogenaamde taalpartijen. Aan Vlaamse zijde was er de Volksunie (VU), terwijl aan
Franstalige zijde onder meer het Front Démocratique des Francophones (FDF) en de
Parti Wallon opkwamen. Deze partijen profiteerden van de communautaire spanningen
en de groeiende vraag naar meer regionale autonomie.
De grafiek toont dat deze taalpartijen aanvankelijk steeds succesvoller werden. Vanaf de
jaren tachtig begon hun invloed echter af te nemen. Uiteindelijk verdwenen de meeste
van deze partijen uit het politieke landschap. De Volksunie vormde hierop een
uitzondering en bleef bestaan tot 2001. De neergang van de taalpartijen kan grotendeels
worden verklaard doordat hun belangrijkste eisen werden overgenomen door de
traditionele partijen. Zo werd België geleidelijk hervormd tot een federale staat met
eigen parlementen en regeringen voor de deelstaten. Daardoor verloor de Volksunie een
belangrijk deel van haar bestaansreden. Bovendien kwam de partij vanaf de jaren tachtig
terecht in een negatieve spiraal van electorale achteruitgang. Een deel van haar Vlaams-
nationalistische kiezers stapte over naar het Vlaams Blok.
Aan Franstalige zijde werd de plaats van de Parti Wallon grotendeels ingenomen door de
socialistische partijen. Het FDF kon overleven door samen te werken met de Franstalige
Brusselse liberalen in een kartel.
Naast de taalpartijen verschenen vanaf de jaren tachtig ook nieuwe politieke uitdagers.
De groene partijen braken zowel in Vlaanderen als in Wallonië door. Daarnaast kende het
Vlaams Blok een opmerkelijke groei. Deze partij was lange tijd een marginale
eenmanspartij, maar ontwikkelde zich tot een uitgesproken antimigratiepartij. Bij de
federale verkiezingen van 1991 — vaak aangeduid als "Zwarte Zondag" — groeide het
Vlaams Blok spectaculair van twee naar twaalf zetels in de Kamer van
Volksvertegenwoordigers.
Ondanks deze nieuwe ontwikkelingen bleven de traditionele partijfamilies samen nog
steeds ongeveer 80% van de zetels controleren. Zij deden bovendien inspanningen om
de positie van nieuwkomers te bemoeilijken. Zo werd de regelgeving rond
partijfinanciering uitgewerkt op een manier die vooral gevestigde partijen bevoordeelde.
In België ontvangen partijen namelijk overheidssubsidies op basis van behaalde
verkiezingsresultaten en verkozen mandatarissen. Nieuwe partijen die nog geen
2
, vertegenwoordigers hebben, ontvangen geen financiering en moeten dus zonder
publieke middelen campagne voeren.
Tijdens de daaropvolgende paarse periode werden bovendien de kiesomschrijvingen
vergroot en werd een kiesdrempel ingevoerd. Deze maatregelen maakten het voor
nieuwe en kleinere partijen nog moeilijker om door te breken. Er bestaat dus meer
continuïteit in het Belgische politieke systeem dan men op het eerste gezicht zou
vermoeden.
België wordt vaak voorgesteld als een moeilijk bestuurbaar land omdat federale
regeringen doorgaans uit vier of meer partijen bestaan. In zekere zin is dit echter een
optische illusie. Het grote aantal regeringspartijen is deels het gevolg van de splitsing
van de traditionele nationale partijen in Vlaamse en Franstalige tegenhangers. Zo
bestaan er bijvoorbeeld een Vlaamse en een Franstalige christendemocratische partij,
die op programmatief vlak sterk op elkaar lijken en vaak natuurlijke bondgenoten zijn.
Hetzelfde geldt voor de socialistische en liberale partijfamilies. Hoewel Belgische
regeringen dus uit meerdere partijen bestaan, blijven ze vaak opgebouwd rond dezelfde
politieke families, wat zorgt voor een relatief grote bestuurlijke stabiliteit.
Samengevat wordt de periode 1958-1999 gekenmerkt door een geleidelijke afname van
de electorale dominantie van de traditionele partijen, de opkomst en neergang van de
taalpartijen, de doorbraak van de groene partijen en het Vlaams Blok, terwijl de
christendemocratische partijfamilie onafgebroken deel blijft uitmaken van de federale
macht.
De traditionele partijen en de "CVP-staat"
Een van de belangrijkste kenmerken van de Belgische politiek tussen 1958 en de jaren
1990 is de dominante positie van de christendemocratische partijfamilie, meer bepaald
de CVP. Sinds 1958 maakte de CVP onafgebroken deel uit van de federale regering.
Hierdoor werd de partij de belangrijkste stabiliserende factor binnen het Belgische
politieke systeem.
3